ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0232
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingheffing over vergoeding voor vestiging vruchtgebruik op onroerend goed
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een BV, had in 2000 een vruchtgebruik van 30 jaar gevestigd op een pand ten gunste van zijn BV tegen een vergoeding van ƒ 2,2 miljoen. De inspecteur belastte deze vergoeding als inkomsten uit vermogen. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat deze heffing onterecht was en dat artikel 25b van de Wet IB 1964 van toepassing was.
De rechtbank oordeelde dat de vestiging van het vruchtgebruik een belastbaar feit vormt krachtens artikel 25, eerste lid, onderdeel i, van de Wet IB 1964. Het verweer van belanghebbende dat artikel 25b van toepassing zou zijn, werd verworpen omdat deze situatie niet ziet op het verkrijgen van blote eigendom, maar op het verkopen van het vruchtgebruik terwijl hij eerst de volle eigendom bezat.
Daarnaast werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel afgewezen omdat de gewijzigde regelgeving sinds 1996 een andere situatie schept en er geen bewijs was dat vergelijkbare gevallen anders werden behandeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de belastingheffing over de vergoeding voor het vruchtgebruik.