ECLI:NL:RBBRE:2009:BI0350

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
18 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/3875
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 22 Wet WOZArt. 30 lid 2 Wet WOZArt. 18a AWRArtikel 1 onder a Besluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering WOZ-waarde woning en toewijzing proceskostenvergoeding

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerende-zaakbelastingen 2007. De gemeente handhaafde de waarde van €318.000, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Breda.

Tijdens de zitting op 5 maart 2009 werd vastgesteld dat partijen overeenstemming bereikten over een waarde van €267.000. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en paste de WOZ-waarde en aanslag dienovereenkomstig aan.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende, inclusief een bedrag van €648 voor rechtsbijstand en €39 aan griffierecht. De rechtbank oordeelde dat de rechtsbijstand beroepsmatig werd verleend, ondanks dat de gemachtigde gepensioneerd is, en dat de gemaakte kosten redelijk waren.

De uitspraak benadrukt de toepassing van artikel 8:75 Awb Pro voor proceskostenvergoeding en artikel 30 lid 2 Wet Pro WOZ in combinatie met artikel 18a AWR voor de vermindering van de aanslag bij een lagere WOZ-waarde. De rechtbank wees de gemeente aan als de partij die de kosten moet vergoeden.

Uitkomst: De WOZ-waarde is verminderd tot €267.000 en de gemeente is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 08/3875
Uitspraakdatum: 18 maart 2009
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats],
verweerder.
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 8 augustus 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2007.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2009.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde
alsmede namens verweerder.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de vastgestelde waarde tot € 267.000 en vermindert de aanslag onroerende-zaakbelastingen dienovereenkomstig;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 648, en wijst de gemeente [woonplaats] aan als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden;
- gelast dat de gemeente [woonplaats] het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van Pro de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de woning, per waardepeildatum
1 januari 2007 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2008 tot
1 januari 2009 op € 318.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2008 bekend gemaakt. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de waarde gehandhaafd.
2.2. Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning. De woning is een appartement met parkeerplaats, berging en een dakterras. De inhoud van de woning is ongeveer 294 m³. In de beroepsfase heeft verweerder de waarde ambtshalve verminderd tot € 267.000.
2.3. In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van tussen € 265.000 en € 291.000. Ter zitting is komen vast te staan, dat belanghebbende zich kan verenigen met de ambtshalve vermindering van de waarde tot € 267.000. Partijen zijn een waarde van € 267.000 overeengekomen. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Het beroep is daardoor gegrond.
2.4. Artikel 30, lid 2, Wet WOZ bepaalt dat, indien de WOZ beschikking en de aanslag(en) in de onroerende zaakbelastingen in één geschrift zijn vastgesteld, het bezwaar tegen de beschikking mede wordt geacht de aanslag(en) te betreffen. Verweerder heeft geen uitspraak gedaan op het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag. De rechtbank gaat om redenen van proceseconomie voorbij aan het door verweerder achterwege laten van de toepassing van artikel 30, lid 2, van de wet, nu het bepaalde in artikel 18a van de AWR waarborgt, dat de aanslag onroerende-zaakbelastingen moet worden verminderd indien een lagere waarde voor de WOZ onherroepelijk komt vast te staan.
2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.
2.6. De rechtbank vindt aanleiding de verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat zijn gemachtigde een vergoeding zal ontvangen op basis van “no cure no pay”. De rechtbank verstaat deze afspraak zo, dat indien het beroep gegrond wordt verklaard, er proceskosten zullen worden gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is alsdan voldaan aan het kostenvereiste van artikel 8:75 van Pro de Awb. Dat de gemachtigde de hoogte van dit bedrag gelijkstelt aan het bedrag van een eventuele proceskostenvergoeding, staat naar het oordeel van de rechtbank aan een proceskostenvergoeding niet in de weg.
2.7. Gemachtigde heeft vóór zijn pensionering een onderneming gedreven onder de naam “Bureau Administratieve fiscale en financiële Ondersteuning”. Voorts heeft gemachtigde voldoende aannemelijk gemaakt, dat hij niet slechts incidenteel rechtsbijstand verleent. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij na zijn pensionering weliswaar de bedrijfsuitoefening als zodanig heeft gestaakt, maar nog steeds op beroepsmatige wijze werkzaam is voor relaties en kennissen op het terrein van belastingaangiften, toeslagen en andere belastingzaken. Deze werkzaamheden verricht hij tegen een gereduceerd tarief dan wel een onkostenvergoeding. In deze hoedanigheid heeft de gemachtigde de laatste jaren, toen de beroepsprocedures in eerste aanleg bij de belastingkamer van het gerechtshof werden behandeld, diverse zaken bij het gerechtshof aanhangig gemaakt, zo heeft de gemachtigde verklaard. Tot slot heeft gemachtigde onweersproken gesteld dat hij in deze hoedanigheid bij een eerdere procedure bij het Hof een proceskostenvergoeding heeft ontvangen in verband met door hem beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op basis van het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1 onder Pro a van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Met het Gerechtshof te Den Haag (uitspraak van 15 juli 2008, nr. 06/00266, onder andere gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, LJN BD8626), is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat de gemachtigde gepensioneerd is, daar niet aan afdoet.
2.8. De door verweerder te vergoeden kosten zijn op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Voor de overige door belanghebbende genoemde proceskosten, te weten reiskosten, wordt de verweerder, met toepassing van het Besluit, veroordeeld deze te vergoeden tot een bedrag van € 4.
Aldus gedaan door mr. V.M. Schotanus, rechter, en door deze en mr. drs. I.E. van Eerd, griffier ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.