ECLI:NL:RBBRE:2009:BI3560

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
15 april 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/176
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 AWRAfdeling 8.2.6 AwbArt. 27d AWRArtikel 139 Gemeentewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting bij vergunning voor twee kentekens

Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente vanwege het ontbreken van een zichtbaar geldige parkeervergunning in een voertuig dat geparkeerd stond op een vergunninghouderparkeerplaats.

De rechtbank stelde vast dat er voor twee kentekens één parkeervergunning was afgegeven, maar dat deze vergunning niet zichtbaar was in het gecontroleerde voertuig. Belanghebbende voerde aan dat de vergunning mogelijk per ongeluk was losgeraakt van de voorruit, en verwees naar een eerdere uitspraak waarbij een vergelijkbare naheffingsaanslag werd vernietigd.

De rechtbank oordeelde echter dat de situatie anders was omdat de vergunning voor twee kentekens gold en niet kon worden uitgesloten dat de vergunning op het moment van controle in het andere voertuig aanwezig was. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat de parkeerbelasting was voldaan voor het voertuig zonder zichtbare vergunning.

Op basis van de vastgestelde feiten en het ontbreken van een zichtbare vergunning achtte de rechtbank het aannemelijk dat de parkeerbelasting niet was voldaan en verklaarde het beroep ongegrond. De naheffingsaanslag werd als terecht en correct opgelegd beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting is ongegrond verklaard en de aanslag is bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 09/176
Uitspraakdatum: 15 april 2009
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [woonplaats],
verweerder.
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 29 december 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting.
Zitting
Een onderzoek ter zitting is met schriftelijke toestemming van partijen achterwege gebleven.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Bij een controle op 17 november 2008 omstreeks 14:30 uur hebben parkeercontroleurs van de gemeente [woonplaats] geconstateerd dat een auto, [merk], met het kenteken [0000], geparkeerd stond op een vergunningshouderparkeerplaats aan [adres] te [woonplaats]. Volgens de parkeercontroleurs bevond zich in deze auto geen geldig parkeerbewijs doch enkel een parkeerticket waarvan de parkeerduur eindigt op 15 november 2008 om 10:14 uur. De controleurs ondersteunen hun bevindingen door middel van tot de gedingstukken behorende beeldmateriaal. In verband met het voorgaande is aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd met de opmerking ‘u heeft geparkeerd, zonder geldig of leesbaar parkeerticket, bezoekersticket, dagticket of bewonersvergunning’.
De nageheven parkeerbelasting bedraagt € 15,10 verhoogd met de kosten van de naheffing ad € 49.
2.2. Niet in geschil is dat voor de onderhavige auto alsmede voor de auto met het kenteken [0000] ten behoeve van de onderhavige plaats en datum één parkeervergunning (hierna: de vergunning) is afgegeven. Tevens is niet in geschil is dat deze vergunning ten tijde van de controle niet leesbaar of zichtbaar achter de voorruit van de auto met kenteken [0000] lag en dat belanghebbende hierdoor niet heeft voldaan aan de aan de vergunning verbonden voorschriften.
2.3. Belanghebbende stelt dat de vergunning ten tijde van het onder 2.1 geconstateerde feit, wèl in het betreffende voertuig aanwezig was, maar dat die vergunning naar alle waarschijnlijkheid, inclusief bevestigingsdopje, per ongeluk van de voorruit is afgestoten of heeft losgelaten.
2.4. Het parkeerbeleid van de gemeente [woonplaats] is vastgelegd in de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen 2008. Bij besluit van het college van burgemeester en wethouders, vastgesteld bij vergadering van 6 november 2007, is de onderhavige locatie aangewezen als parkeerplaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. Het voormelde besluit is op 15 november 2007 ingevolge de in artikel 139 van Pro de Gemeentewet voorgeschreven wijze bekendgemaakt.
2.5. In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht aan belanghebbende is opgelegd.
2.6. Belanghebbende stelt dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Hierbij verwijst belanghebbende naar de uitspraak op bezwaar van verweerder van 12 december 2008 waarbij de aan zijn zoon [de heer], opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd. Volgens belanghebbende had de desbetreffende naheffingsaanslag betrekking op een vergelijkbaar geval aangezien ook daar sprake was van een vergunning op kenteken en ook daar vaststond dat deze vergunning niet zichtbaar achter de voorruit was geplaatst. In dit kader beroept belanghebbende zich tevens op de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2008 (geregistreerd onder nummer: AWB 07/4854).
2.7.1. Ingevolge artikel 20, eerste lid van de AWR kan worden nageheven indien de belasting die op aangifte diende te worden voldaan, niet is betaald. Overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2008 is het voorschrift inzake het duidelijk zichtbaar en leesbaar plaatsen van de vergunning in het onderhavige geval niet nageleefd.
Een belangrijk verschil met de voormelde uitspraak en met de onder 2.6 bedoelde situatie van de zoon van belanghebbende is echter, dat in het onderhavige geval de vergunning niet voor één, doch voor twee kentekens is afgegeven.
2.7.2. In de situatie waarbij voor één specifiek kenteken een parkeervergunning is verleend en de daarvoor verschuldigde belasting is voldaan, kan er - indien het voertuig met het betreffende kenteken op een bij die vergunning behorende parkeerplaats wordt aangetroffen - in beginsel van worden uitgegaan dat de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan. De situatie waarin er voor twee kentekens één parkeervergunning is afgegeven wijkt daarvan af, nu niet kan worden uitgesloten dat op het moment dat wordt geconstateerd dat er met het ene voertuig wordt geparkeerd zonder zichtbaar aanwezige parkeervergunning, van deze vergunning gebruik wordt gemaakt doordat (tevens) wordt geparkeerd met het andere voertuig. Van rechtens vergelijkbare gevallen is daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
2.8. Op grond van hetgeen de parkeercontroleurs zoals vermeld onder 2.1 hebben vastgesteld, acht de rechtbank het aannemelijk dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Het risico dat de vergunning zich ten tijde van de controle in de andere auto (met kenteken [0000]) bevond, mogelijk in dezelfde parkeerzone, en dat dientengevolge ter zake van de onderhavige auto geen parkeerbelasting is voldaan, dient - nu de parkeervergunning ten tijde van de controle niet duidelijk zichtbaar in het voertuig aanwezig was - voor rekening en risico van belanghebbende te blijven.
De naheffingsaanslag is derhalve terecht en naar het juiste bedrag opgelegd.
2.9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
Aldus gedaan door mr.drs. M.G.J.M. van Kempen, rechter, en door deze en mr. M.C.W. Hermus, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2009.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.