ECLI:NL:RBBRE:2009:BI6100
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling omzetbelasting voor beheer van beleggingsfondsen als één geheel
Belanghebbende, een beheermaatschappij, had voor het tijdvak 1996 een naheffingsaanslag omzetbelasting ontvangen. Deze aanslag betrof werkzaamheden voor drie vennootschappen die als beleggingsfondsen functioneren. De vraag was of de vrijstelling van omzetbelasting op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, 3°, van de Wet OB van toepassing was op het geheel van de werkzaamheden of slechts op specifieke onderdelen.
De rechtbank stelde vast dat de vennootschappen beschikken over ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens en dat alle beheeractiviteiten door belanghebbende of haar opdrachtgevers worden uitgevoerd. Ondanks dat de werkzaamheden in de overeenkomst gespecificeerd waren en afzonderlijk werden vergoed, vormden zij samen het beheer van het vermogen als één geheel.
De rechtbank oordeelde dat deze werkzaamheden als één geheel moeten worden beschouwd voor de toepassing van de vrijstelling omzetbelasting. Hierdoor werd de naheffingsaanslag verminderd van een hoger bedrag tot € 127.520. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende.
Partijen bereikten overeenstemming over de toerekening van voorbelasting, zodat de rechtbank hierover geen oordeel hoefde te geven. De uitspraak bevestigt dat het gespecificeerd verrichten van verschillende beheeractiviteiten niet leidt tot het verlies van de vrijstelling voor het beheer als geheel.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt verminderd tot € 127.520 en de inspecteur wordt veroordeeld in de proceskosten en griffierecht.