ECLI:NL:RBBRE:2009:BI6871

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
20 mei 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 08/5673
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Successiewet 1956Art. 1:2 AwbArt. 6:4 AwbArt. 46 lid 3 Invorderingswet 1990Art. 49 lid 3 Invorderingswet 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard tegen aanslag schenkingsrecht opgelegd aan onbekende

De inspecteur heeft over het jaar 2004 een aanslag schenkingsrecht opgelegd aan een onbekende vanwege een schenking die de erflaatster kort voor haar overlijden heeft verricht. Deze aanslag is gericht aan een onbekende en niet aan de enige erfgename, belanghebbende, die de nalatenschap heeft aanvaard. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze aanslag, maar de inspecteur verklaarde dit bezwaarschrift niet-ontvankelijk omdat belanghebbende geen belanghebbende is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank bevestigt dit oordeel. Omdat de aanslag niet aan belanghebbende is opgelegd en zij niet als gemachtigde van de onbekende is opgetreden, ontbreekt het aan het vereiste belang om bezwaar te maken. Tevens is er geen beschikking aansprakelijkheidstelling opgelegd aan de erflaatster, waardoor invordering bij belanghebbende niet mogelijk is en bezwaar tegen een dergelijke beschikking niet aan de orde is.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak onderstreept het belang van directe belanghebberschap bij het indienen van bezwaarschriften tegen belastingaanslagen.

Uitkomst: Het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag schenkingsrecht is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belanghebberschap.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 08/5673
Uitspraakdatum: 20 mei 2009
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (Duitsland),
eiseres,
en
de inspecteur van de Belastingdienst,
verweerder.
Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 4 november 2008 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan een onbekende opgelegde aanslag schenkingsrecht wegens een verkrijging door een onbekende in het jaar 2004. (hierna: de aanslag).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2009 te [woonplaats].
Aldaar is verschenen en gehoord, de inspecteur.
Belanghebbende is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. De inspecteur heeft met dagtekening 22 januari 2007 over het jaar 2004 een aanslag schenkingsrecht op grond van artikel 29 Successiewet Pro 1956 opgelegd aan een onbekende. De aanslag is naar het adres van de gemachtigde van belanghebbende gestuurd en zal bij belanghebbende worden ingevorderd.
2.2. Volgens de inspecteur betrof het een verkrijging wegens een schenking van [mevrouw] (hierna: erflaatster) die zij heeft verricht kort voor haar overlijden op 17 oktober 2004. Belanghebbende heeft als enige erfgename van erflaatster, de nalatenschap aanvaard.
2.3. De inspecteur heeft ter zitting bevestigd dat er ter zake van de invordering van de aanslag geen beschikking aansprakelijkheidstelling in de zin van artikel 46, derde lid, Invorderingswet 1990 (hierna: beschikking) is opgelegd aan de erflaatster. En dat om die reden de aanslag bij belanghebbende (vooralsnog) niet kan worden ingevorderd.
2.4. In geschil is of het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De inspecteur bevestigt dit nu er volgens de inspecteur geen bezwaarschrift is ingediend door een belanghebbende. Belanghebbende bestrijdt dit.
2.5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Tegen dit besluit kan op grond van artikel 6:4 Awb Pro bezwaar worden ingesteld bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.
2.6. Nu de aanslag aan een onbekende is opgelegd en niet aan belanghebbende en voorts niet is gebleken dat belanghebbende namens die onbekende als gemachtigde is opgetreden, is zij niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb Pro. Naar het oordeel van de rechtbank is het bezwaarschrift tegen de aanslag derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.7. Voor zover het beroep van belanghebbende ziet op de aansprakelijkheidstelling in de zin van artikel 46, derde lid, Invorderingswet 1990, verklaart de rechtbank het bezwaar van belanghebbende eveneens niet-ontvankelijk, nu er immers geen beschikking is opgelegd waartegen belanghebbende op grond artikel 49, derde lid Invorderingswet 1990 bezwaar en beroep kan aantekenen.
2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aldus gedaan door mr. W. Brouwer, rechter, en door deze en mr. M.H. van Heel, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2009.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.