ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ2215
Rechtbank Breda
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen sluiting pand op grond van Opiumwet
Verzoeker maakte bezwaar tegen het besluit van de burgemeester van Roosendaal om een pand te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege verkoop van softdrugs vanuit dat pand. De burgemeester baseerde zijn besluit op ambtelijk opgemaakte processen-verbaal die de verkoop op 5 juni 2008 en 10 februari 2009 vaststelden, ondanks dat de feitelijke levering elders plaatsvond.
Verzoeker betoogde dat hij niet bevoegd was tot toepassing van artikel 13b, dat het bewijs onrechtmatig was verkregen en dat de processen-verbaal onjuistheden bevatten. Subsidiair stelde hij dat de sanctieduur van vijf jaar onredelijk zwaar was en dat hij aanzienlijke schade zou lijden. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester bevoegd was en dat het bewijs voldoende aannemelijk maakte dat er softdrugs werden verhandeld.
Wel stelde de voorzieningenrechter vraagtekens bij de zwaarte van de sanctie, omdat de verkoop niet in het pand zelf plaatsvond maar slechts de afspraak daar werd gemaakt. De burgemeester moet bij de heroverweging van het besluit deze omstandigheid meenemen. Ondanks deze twijfel zag de rechter onvoldoende reden om het besluit te schorsen, mede omdat het bezwaar binnen afzienbare tijd zou worden behandeld.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van het pand op grond van de Opiumwet is afgewezen.