ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ2896
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling termijn teruggaaf omzetbelasting bij bouwtermijnen en vertrouwen in interne richtlijn Belastingdienst
Belanghebbende exploiteert een vakantiewoning en kocht in 2002 een bouwperceel met de intentie een pand te bouwen voor gemengd zakelijk en privégebruik. Hij diende pas in 2006 een verzoek in om teruggaaf van omzetbelasting over de periode 2002-2004, wat de inspecteur wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaarde.
De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende het verzoek terecht niet-ontvankelijk werd verklaard en of hij mocht vertrouwen op een landelijke interne richtlijn van de Belastingdienst die een latere indiening zou toestaan. De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet binnen de wettelijke termijn was ingediend en dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdig kennis had kunnen nemen van de richtlijn.
De rechtbank verwees naar arresten van het Hof van Justitie en beleidsbesluiten die bepalen dat de keuze om een investeringsgoed tot het bedrijfsvermogen te rekenen uiterlijk bij de btw-aangifte over de laatste bouwtermijn moet worden gemaakt. Vertrouwen op een richtlijn die pas na afloop van de wettelijke termijn bekend werd, kon niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het verzoek om teruggaaf omzetbelasting niet binnen de wettelijke termijn is ingediend en geen rechtmatig vertrouwen kon worden ontleend aan de interne richtlijn.