ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ3093
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwaardering lening aan BV in oprichting en aanmerkelijk belang bij conversierecht
Belanghebbende sloot in december 2003 een leningsovereenkomst met een BV in oprichting, waarbij hij het recht kreeg om vanaf 1 januari 2007 aandelen te verwerven. In geschil was of de vordering in 2005 ten laste van het inkomen in box 1 mocht worden afgewaardeerd. De rechtbank stelde vast dat de overeenkomst tussen onafhankelijke partijen was gesloten en dat de lening zakelijk was, ondanks het ontbreken van zekerheden.
De rechtbank oordeelde dat het conversierecht een aanmerkelijk belang vormde vanaf de datum van de leningsovereenkomst, waardoor de vordering onder artikel 3.92 van de Wet IB viel. De vordering moest op de openingsbalans tegen nominale waarde worden opgenomen, maar op basis van goedkoopmansgebruik mocht een afwaardering worden toegepast.
Gezien de financiële situatie van de BV en de marktomstandigheden achtte de rechtbank een afwaardering van € 38.000 redelijk. Tevens werd het beroep van de inspecteur op interne compensatie van rente over 2004 en 2005 toegewezen, wat leidde tot een verdere afwaardering. De aanslag werd verminderd en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stond een afwaardering van de lening ten laste van het inkomen in box 1 toe.