ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ5326
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren wegens toepassing forfaitaire regeling
Belanghebbende, een leerveredelingsbedrijf, kreeg een aanslag verontreinigingsheffing opgelegd over 2004, gebaseerd op gemeten en bemonsterde vervuilingseenheden (ve) die volgens verweerder representatief waren. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat de forfaitaire regeling van artikel 22 WVO Pro toegepast moest worden, omdat de gemeten etmalen niet representatief waren voor het gehele jaar.
De rechtbank oordeelde dat de metingen van 12 etmalen onvoldoende representatief waren voor de overige dagen, mede vanwege de variërende productieprocessen en het gebruik van grond- en regenwater. Hierdoor was niet voldaan aan de vergunningseisen en kon het voorgestelde aantal ve van belanghebbende niet als uitgangspunt dienen.
De rechtbank stelde vast dat artikel 22 WVO Pro een forfaitaire regeling biedt voor situaties waarin de vervuilingswaarde minder dan 1.000 ve bedraagt, en dat deze regeling ook toegepast kan worden zolang de aanslag niet onherroepelijk is. De stelling van verweerder dat de forfaitaire regeling niet meer kan worden toegepast bij bekende meetresultaten werd verworpen.
Gezien de feiten en de categorie van belanghebbende werd de aanslag verminderd tot een bedrag gebaseerd op 44 ve, wat resulteerde in een aanslag van €1.980. Het beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De aanslag verontreinigingsheffing oppervlaktewateren wordt verminderd tot €1.980 door toepassing van de forfaitaire regeling.