ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ7829
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen invorderingsrente bij vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een inwoner van Nederland werkzaam in België, had recht op toepassing van de algemene compensatieregeling en kreeg een voorlopige teruggaaf vennootschapsbelasting over de jaren 2003-2005. Bij vaststelling van de definitieve aanslag bleek de teruggaaf te hoog te zijn, waardoor belanghebbende een bedrag moest terugbetalen waarover € 710 aan heffingsrente werd berekend.
Belanghebbende verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening om de invordering van deze rente te stoppen. De rechtbank oordeelde dat er geen bezwaar of beroep was ingesteld tegen een besluit over de invorderingsrente zelf, maar dat een voorlopige voorziening in het kader van bezwaar tegen de aanslagen mogelijk is. Echter, het verzoek richtte zich op het buiten werking stellen van artikel 28 Invorderingswet Pro 1990, dat dwingend de berekening van invorderingsrente voorschrijft.
De rechtbank stelde vast dat zij niet bevoegd is om de wettelijke bepaling buiten werking te stellen of de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Daarom was het verzoek kennelijk ongegrond en werd het afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de invorderingsrente wordt afgewezen.