ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ9986
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aanslag recht van schenking wegens ontbreken bevoordelingsbedoeling
Belanghebbende kreeg in 1999 en 2000 contante stortingen op haar bankrekeningen, afkomstig van [Y], die in die periode grotendeels gedetineerd was. De inspecteur kwalificeerde deze bedragen als schenkingen en legde aanslagen en boetes op.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende en [Y] een gezamenlijke huishouding voerden, waarbij [Y] regelmatig gelden verstrekte voor huur en lopende kosten. De rechtbank achtte aannemelijk dat de gestorte bedragen dienden ter bekostiging van het gezamenlijke huishouden en dat er geen sprake was van een bevoordelingsbedoeling richting belanghebbende.
De inspecteur kon niet aannemelijk maken dat de stortingen schenkingen waren, ook niet het subsidiaire standpunt dat een deel als schenking moest worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de aanslag en boete, en gelastte vergoeding van het griffierecht. Tevens oordeelde de rechtbank dat de inspecteur niet behoorlijk had gehandeld door de wettelijke termijn voor uitspraak op bezwaar te overschrijden, waardoor een integrale proceskostenvergoeding op zijn plaats was.
De uitspraak werd gedaan door drie rechters van de rechtbank Breda op 1 april 2009. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De aanslag recht van schenking en de boete worden vernietigd wegens ontbreken van bevoordelingsbedoeling.