ECLI:NL:RBBRE:2009:BK4264
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Compensatie bedrijfsvoorheffing vakantiegeld grensarbeider België-Nederland
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en in België in loondienst, diende zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2005 in. De inspecteur stelde een aanslag vast waarbij compensatie werd verleend voor in België betaalde belasting, maar hield geen rekening met de ingehouden bedrijfsvoorheffing op vakantiegeld die belanghebbende niet had aangegeven in België.
De rechtbank oordeelde dat deze bedrijfsvoorheffing wel degelijk een verschuldigde belasting is in de zin van artikel 27 van Pro het Belastingverdrag tussen Nederland en België (2001) en dat de inspecteur daarom de compensatie moest verhogen met het bedrag van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Tevens werd de heffingsrente verminderd omdat de inspecteur niet tijdig een voorlopige aanslag had opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar, verminderde de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 22.821 met verrekening van € 6.901 loonheffing, en stelde de heffingsrente vast op € 36. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan belanghebbende vergoed.
Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van de compensatieregeling grensarbeiders en de berekening van heffingsrente bij niet tijdige voorlopige aanslagen.
Uitkomst: De aanslag wordt verminderd en de heffingsrente verlaagd omdat de bedrijfsvoorheffing op vakantiegeld gecompenseerd moet worden.