ECLI:NL:RBBRE:2009:BK5751

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
4 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02/801209-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
  • Janssen
  • Rijken
  • van Breugel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid inverzekeringstelling na schietincident met politiekogel

De zaak betreft een hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de raadkamer (RC) die de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig achtte en onmiddellijke invrijheidstelling beval. De RC oordeelde dat niet kon worden vastgesteld dat de aanhouding rechtmatig was verlopen, mede omdat niet was vastgesteld of verdachte voorafgaand aan het wapengebruik was gewaarschuwd en of het gebruik van geweld proportioneel was.

De officier van justitie voerde aan dat disproportioneel geweld bij de aanhouding niet direct verband houdt met de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling en dat er wel een waarschuwingsschot was gegeven. De raadsman handhaafde het standpunt dat sprake was van disproportioneel geweld en strijd met politievoorschriften.

De rechtbank stelt dat de RC op basis van de toen beschikbare stukken terecht oordeelde dat de rechtmatigheid van de aanhouding niet kon worden vastgesteld, mede omdat verdachte gewond was geraakt door een politiekogel en het dossier onvoldoende informatie bevatte over de omstandigheden van het schietincident. De rechtbank benadrukt dat nader onderzoek nodig is om disproportionaliteit van geweld vast te stellen, maar dat dit niet ten grondslag kan liggen aan de beoordeling van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling op dat moment.

Daarom wordt het hoger beroep van de officier van justitie verworpen en blijft de beslissing van de RC tot onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep van de officier van justitie wordt verworpen en de onrechtmatige inverzekeringstelling blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Parketnummer: 02/801209-09
Beslissing op het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in de
zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [datum en plaats],
wonende te Z.V.W.O.V.H.T.L.,
1. De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- de appelakte d.d. 23 november 2009;
- de appelschriftuur d.d. 23 november 2009;
- het proces-verbaal van het onderzoek in raadkamer, waaruit blijkt dat de
officier van justitie en de raadsman zijn gehoord.
De betrokkene is niet verschenen.
2. De beoordeling.
2.1.Bij beslissing van 20 november 2009 heeft de RC de inverzekeringstelling
van verdachte onrechtmatig geoordeeld en de onmiddellijke
invrijheidstelling van verdachte bevolen. Daartoe heeft de RC overwogen
dat op basis van het proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat de
aanhouding van verdachte rechtmatig is verlopen; niet kan worden
vastgesteld dat verdachte voorafgaande aan het wapengebruik op enigerlei
wijze is gewaarschuwd, terwijl ook uit niets blijkt dat sprake was van een
zodanige dreiging dat het afgeven van een waarschuwing in de gegeven
omstandigheden niet tot de mogelijkheden behoorde.
2.2.De officier van justitie heeft tegen deze beslissing hoger beroep
ingesteld bij de raadkamer van de rechtbank. De officier van justitie
heeft - kort gezegd- aangevoerd dat disproportioneel geweld bij de
aanhouding in het algemeen geen rechtstreeks verband houdt met de
inverzekeringstelling en derhalve niet aan de rechter-commissaris kan
worden voorgelegd in het kader van de toetsing van de rechtmatigheid van
de inverzekeringstelling. Tijdens de behandeling in raadkamer heeft de
officier van justitie daar - onder overlegging van een aanvullend
proces-verbaal- aan toegevoegd dat er bovendien wel een waarschuwingsschot
is gegeven en dat zeker nog niet kan worden vastgesteld dat er sprake is
van disproportioneel geweld. In de loop van de procedure moet dit verder
worden uitgezocht, maar niet kan worden gezegd dat er sprake is van een
onrechtmatige aanhouding.
2.3.De raadsman heeft tijdens de behandeling betoogd dat de beslissing van de
RC een juiste beslissing is geweest en dat ook al zou uit dit aanvullend
proces-verbaal blijken dat een waarschuwingsschot is gelost er niettemin
sprake is van disproportioneel geweld en dat gehandeld is in strijd met de
ambtsinstructie van de politie en de politiewet.
2.4.Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een onrechtmatige
inverzekeringstelling dient de RC te beoordelen:
- of degene die in verzekering is gesteld iemand is te wiens aanzien uit
feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van een schuld aan een
stafbaar feit voortvloeit;
- of er sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is
toegelaten;
- of de inverzekeringstelling in het belang van het onderzoek is;
- of de met betrekking tot de inverzekeringstelling in de wet neergelegde
vormvoorschriften in acht zijn genomen;
- of de inverzekeringstelling niet op andere gronden, bij voorbeeld wegens
strijd met de goede procesorde, onrechtmatig is.
Daarbij is de rechtbank van oordeel dat -gelet op onder meer de
uitspraak van de HR van 30 maart 2004, NJ 2004, 376- het bij uitstek
aan de RC is rechtsgevolgen te verbinden ten aanzien van de voortzetting
van de vrijheidsbeneming indien er sprake is van vormverzuimen in het
voorbereidend onderzoek die betrekking hebben op de toepassing van
dwangmiddelen. Kern van de zaak is of de RC onderzoekt of er sprake is
geweest van een behoorlijk optreden van de autoriteiten die met de
opsporing van het strafbare feit zijn belast.
2.5.Ter toetsing van de rechtbank staat of de RC, gelet op de gegevens die
haar ten dienste stonde, en gelet op bovengenoemde criteria, heeft kunnen
oordelen dat er sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en
derhalve van een onrechtmatige inverzekeringstelling.
2.6.De rechtbank stelt voorop dat bij een schietincident als dit door de
politie alle prioriteit moet worden gegeven aan het verduidelijken van de
omstandigheden waaronder is geschoten. Uiteraard vergt dit een zorgvuldig
onderzoek en er mogen niet te voorbarig conclusies worden getrokken. De
rechtbank stelt evenwel vast dat op het moment dat de RC zich een oordeel
moest vormen over de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling er zich
slechts een kort proces-verbaal in het dossier bevond waarin stond vermeld
dat een verdachte met een geweldsmiddel was aangehouden. Het dossier
bevatte geen verdere informatie over de vraag onder welke omstandigheden
er was geschoten en waarom. Inmiddels waren er ruim twee dagen verstreken.
Genoeg tijd om een proces-verbaal te maken, waarin door de betreffende
politieagenten was geverbaliseerd wat er tijdens de aanhouding was
gebeurd. Tijdens het verhoor door de RC bevond verdachte zich in het
ziekenhuis. Hij was ten gevolge van een politiekogel gewond geraakt.
Uit de overige processen-verbaal maakt de rechtbank op dat er een ramkraak
had plaatsgevonden aan de Noordhaven te Zevenbergen. De auto waarin
verdachte zich bevond is door de politie aangehouden omdat bij de politie
het vermoeden bestond dat die auto bij deze ramkraak betrokken was. Deze
auto is vervolgens klemgereden. In de auto zaten drie mannen, allen
droegen een bivakmuts. Uit het door de officier van justitie in hoger
beroep overgelegde proces-verbaal zit een wat gedetailleerder
proces-verbaal. Hieruit maakt de rechtbank op dat twee van de drie mannen
vervolgens probeerden aan de aanhouding te ontkomen door weg te vluchten.
Hierbij is door de politie -na een waarschuwingsschot- geschoten;
verdachte is hierdoor gewond geraakt.
2.7.Gelet op het hiervoorgenoemde criteria is de rechtbank van oordeel dat de
RC heeft kunnen oordelen dat op basis van de naar voorliggende stukken
niet kon worden vastgesteld dat de aanhouding rechtmatig was en er dus
sprake is geweest van een onrechtmatige aanhouding en dus van een
onrechtmatige inverzekeringstelling. Immers uit de haar ten dienste
staande gegevens kon zij niet afleiden onder welke omstandigheden
verdachte gewond was geraakt. Wel werd ze geconfronteerd met een door een
politiekogel verwonde verdachte.
2.8.Daarbij merkt de rechtbank op of er sprake is van disproportioneel geweld
dan wel of er sprake is van een handeling door de politie die tegen de
ambtsinstructie en de politiewet indruist op dit ogenblik niet definitief
is vast te stellen. Daarvoor is de informatie te gering en is nader
onderzoek nodig.
Ook met het nadere proces-verbaal dat door de officier van justitie is
overgelegd kan dit niet worden vastgesteld.
2.9.Het hoger beroep dient mitsdien te worden verworpen.
3. De beslissing.
De rechtbank verwerpt het door de officier van justitie ingestelde hoger
beroep.
Deze beslissing is gegeven op 4 december 2009 door mr Janssen, voorzitter,
en mrs Rijken en van Breugel, rechters in tegenwoordigheid van Jacet, griffier.