ECLI:NL:RBBRE:2009:BP2605
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebeschikking navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2001
Belanghebbende en zijn echtgenote dreven in 2001 een handelsbedrijf in videospellen in de vorm van een vennootschap onder firma. De inspecteur legde een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen op, waarbij de winst werd verhoogd met een correctie op de afboeking van debiteuren. Tevens werd een vergrijpboete opgelegd wegens (voorwaardelijk) opzet. Belanghebbende stelde zich op het standpunt dat de navorderingsaanslag onterecht was en dat de boete onterecht was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslag tijdig was opgelegd en dat sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde. Belanghebbende had onvoldoende bewijs geleverd voor de juistheid van de afboeking op debiteuren, waardoor de correctie terecht was. Ten aanzien van de boete oordeelde de rechtbank dat belanghebbende en zijn echtgenote niet ter zake kundig waren en de administratie hadden overgelaten aan een accountant, zonder dat zij de fouten konden onderkennen. Daarom werd de boetebeschikking vernietigd.
De rechtbank wees het beroep verder ongegrond en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende. De heffingsrente werd in stand gelaten omdat geen gronden waren aangevoerd voor vermindering. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De boetebeschikking wordt vernietigd, navorderingsaanslag en heffingsrente blijven in stand.