ECLI:NL:RBBRE:2010:BK8267

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
4 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
572966 az 09-531
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 BWArt. 7:685 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst na opzegging met ontslagvergunning

Werknemer, sinds 1974 in dienst bij De Witte Molen B.V. als magazijnbediende, verzocht de kantonrechter om ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op grond van een verandering in omstandigheden. De arbeidsovereenkomst was eerder door de werkgever opgezegd met gebruikmaking van een ontslagvergunning vanwege bedrijfseconomische redenen, met een opzegtermijn tot 31 maart 2010.

Werknemer stelde dat de opzegging een onzekere en stresserende situatie veroorzaakte en dat hij een zwaarwegend belang had om op korte termijn zekerheid te krijgen over de materiële en financiële gevolgen. De werkgever betwistte het verzoek en stelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een tussentijdse ontbinding rechtvaardigen, en dat de werknemer een schadevergoeding kan vorderen op grond van kennelijk onredelijk ontslag.

De kantonrechter verwees naar een recente uitspraak van de Hoge Raad waarin is bepaald dat een ontbinding slechts kan worden toegewezen indien sprake is van een zodanige verandering in omstandigheden dat billijkheidshalve eerder dan de opzegdatum ontbinding moet plaatsvinden. Het verzoek werd afgewezen omdat de door werknemer aangevoerde omstandigheden niet aan deze maatstaf voldoen.

Partijen konden tijdens de mondelinge behandeling geen minnelijke regeling bereiken, en de kantonrechter bepaalde dat ieder zijn eigen proceskosten draagt. Werknemer werd geadviseerd een vordering wegens kennelijk onredelijk ontslag in te stellen voor verdere compensatie.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen omdat geen zodanige verandering in omstandigheden is aangetoond.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector kanton
Locatie Breda
zaak/rolnr.: 572966 AZ VERZ 09-531
beschikking d.d. 4 januari 2010
inzake
[verzoeker],
wonende te [adres],
verzoeker,
gemachtigde: mr. M.M. van Gelderen-Hol, advocaat te Utrecht,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WITTE MOLEN B.V.,
gevestigd te Wijk en Aalburg,
verweerster,
gemachtigde: mr. J.L.G.M. Verwiel, advocaat te Breda.
Partijen worden door de kantonrechter hierna aangeduid als [adres] en De Witte Molen.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. het op 6 november 2009 ter griffie ontvangen verzoekschrift, met producties;
b. de brief van de gemachtigde van [adres] van 20 november 2009, met producties;
c. het daarop op 11 december 2009 ontvangen verweerschrift, met producties;
d. de brief van de gemachtigde van [adres] van 16 december 2009, met producties.
1.2 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2009, waarbij verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gelderen voornoemd. Namens De Witte Molen was [F.] aanwezig, bijgestaan door mr. Verwiel voornoemd. Mr.Van Gelderen heeft een pleitnota overgelegd en van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden.
2. Het verzoek en de beoordeling
2.1 [adres] heeft de kantonrechter gevraagd de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van gewichtige redenen, gelegen in een verandering van omstandig-heden. De Witte Molen heeft zich verzet tegen de inhoud van het verzoekschrift.
2.2 Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende
weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:
a. [adres], geboren op [datum], is op 13 mei 1974 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) De Witte Molen en is laatstelijk werkzaam in de functie van magazijnbediende. Het salaris van [adres] bedraagt € 2.331,02 bruto per maand.
b. Bij brief van 24 augustus 2009 heeft De Witte Molen bij het UWV WERKbedrijf Breda een ontslagvergunning voor [adres] aangevraagd op grond van bedrijfseconomische redenen. [adres] heeft inhoudelijk verweer gevoerd. Bij beslissing van 28 oktober 2009 heeft UWV WERKbedrijf De Witte Molen toestemming verleend om de arbeidsovereen-komst met [adres] te beëindigen. Bij brief van 29 oktober 2009 heeft De Witte Molen van de verleende ontslagvergunning gebruik gemaakt en heeft zij de arbeidsovereenkomst van [adres] opgezegd tegen 31 maart 2010.
2.3 Het standpunt van [adres]
[adres] stelt dat De Witte Molen blijkbaar bewust heeft gekozen voor de UWV-route, zonder daarbij als goed werkgever zorg te dragen voor een adequate voorziening met betrekking tot de risico’s en nadelige gevolgen voor [adres] van het ontslag. Als gevolg van deze processuele keuze heeft De Witte Molen voor [adres] een zeer onzekere en
stresserende situatie in het leven geroepen. [adres] heeft dan ook een zwaarwegend belang om op korte termijn zekerheid te verkrijgen omtrent de materiële en financiële gevolgen van het ontslag en de wijze waarop dit door De Witte Molen dient te worden gecompenseerd.
Het is evident dat [adres] door de beëindiging van het dienstverband ernstig en onevenredig zal worden benadeeld. Gelet op zijn leeftijd alsmede de zeer selectieve arbeidsmarkt met hoge functie-eisen is het arbeidsmarktperspectief van [adres] weinig rooskleurig te noemen. Het kan volgens [adres] niet zo zijn dat een onderneming, die om haar eigen
continuïteit en/of andere commerciële belangen veilig te stellen werknemers ontslaat, dit op de ontslagen werknemers afwentelt en deze met lege handen naar huis stuurt. [adres] verzoekt de kantonrechter om een vergoeding van
€ 122.728,12 bruto (gebaseerd op een correctiefactor van 1,5).
2.4 Het standpunt van De Witte Molen
De Witte Molen is van mening dat [adres] niet ontvankelijk dient te worden verklaard dan wel dat het verzoek moet worden afgewezen. Dit is gebaseerd op het standpunt dat er misbruik dan wel oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de ontbindingsprocedure. Na verkregen toestemming en opzegging door de werkgever kan de werknemer een schadever-goeding op grond van kennelijk onredelijk ontslag (artikel 7:681 van Pro het Burgerlijk Wet-boek) volgen. Ook zijn er volgens De Witte Molen geen zeer bijzondere omstandigheden die een tussentijdse ontbinding zouden rechtvaardigen. Inhoudelijk betwist De Witte Molen de stelling van [adres] dat zij geen adequate voorziening heeft getroffen. [adres] gaat daarbij voorbij aan de faciliteiten die zijn aangeboden rondom solliciteren, opleiding en outplacement. De Witte Molen is verder financieel niet in staat om een ander pakket faciliteiten te bieden dan zij heeft aangeboden. Zij beroept zich in dat verband op het Habe nichts beginsel.
2.5 De kantonrechter oordeelt als volgt.
In zijn uitspraak van 11 december 2009, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BJ9069 heeft de Hoge Raad in de hoger beroepzaak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2009, waarop [adres] onder meer een beroep heeft gedaan, het volgende overwogen: “De opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft in beginsel tot gevolg dat de arbeidsovereenkomst eindigt met ingang van de datum waartegen is opgezegd. De arbeidsovereenkomst duurt derhalve voort tot die datum, hetgeen meebrengt dat deze tot die datum nog ontbonden kan worden op de voet van art. 7:685 BW Pro, indien daartoe grond bestaat. Nu echter de arbeidsovereenkomst als gevolg van de opzegging nog maar een beperkte looptijd heeft, zal de ontbinding slechts voor die beperkte looptijd effect (kunnen) hebben. Dit brengt mee dat voor de toewijsbaarheid van een desbetreffend, op verandering in de omstandigheden gegrond verzoek van de werknemer bepalend is of sprake is van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen, en dat ook de ontbindingsvergoeding van art. 7:685 lid 8 bepaald Pro moet worden met inachtneming van het uitgangspunt dat de arbeidsovereenkomst reeds is beëindigd met ingang van de datum waartegen is opgezegd. De vraag of de ontslagen werknemer ook aanspraak kan maken op een vergoeding ter zake van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de opzegging, dient te worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in art. 7:681 BW Pro.”
Uit deze uitspraak volgt onder meer dat, wil in een situatie als de onderhavige een ontbindingsverzoek toegewezen kunnen worden, er sprake dient te zijn van een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip behoort te eindigen dan waartegen is opgezegd. [adres] heeft aangevoerd dat het ontslag voor hem een onzekere en stresserende situatie met zich meebrengt en dat hij daarom een zwaarwegend belang heeft om op korte termijn zekerheid te krijgen omtrent zijn materiële en financiële gevolgen. Dit argument, hoe invoelbaar overigens ook, kan naar het oordeel van de kantonrechter niet als een zodanige verandering worden aangemerkt, waarop de Hoge Raad blijkens zijn uitspraak het oog heeft. Het verzoek van [adres] dient dan ook te worden afgewezen. Nu partijen er tijdens de mondelinge behandeling ook niet in zijn geslaagd een minnelijke regeling te bereiken, dient [adres] voor de inhoudelijke beoor-deling van zijn zaak desgewenst een vordering ter zake van kennelijk onredelijk ontslag in te stellen.
2.6 De omstandigheden van het geval geven aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek af;
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Sierkstra en is in het openbaar uitgesproken op
4 januari 2010.