ECLI:NL:RBBRE:2010:BL1700
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vragen over BPM-heffing bij tijdelijke verhuur buitenlandse auto in Nederland
Belanghebbende, een Duitse vennootschap, verhuurde een auto aan een Nederlandse inwoner en betaalde de volledige BPM op aangifte. Zij maakte bezwaar tegen deze heffing omdat de Wet BPM geen rekening houdt met de duur van het gebruik in Nederland, wat volgens haar strijdig is met het EG-recht. De rechtbank stelt vast dat de auto niet bestemd was voor duurzaam gebruik in Nederland en dat de huidige regeling buitenlandse verhuurders dwingt om direct het volledige BPM-bedrag te betalen, wat een belemmering vormt voor het vrij verkeer van diensten.
De rechtbank verwijst naar eerdere arresten van het Hof van Justitie die een dergelijke nationale regeling als strijdig met het vrij verkeer van diensten hebben beoordeeld. Hoewel de Wet BPM sinds 2006 een teruggaafregeling kent die een tijdsevenredige belasting beoogt, vindt de rechtbank twijfel bestaan over de rechtvaardiging van het systeem, met name de gelijke behandeling van binnenlandse en buitenlandse verhuurders als rechtvaardigingsgrond.
De inspecteur verdedigt de regeling, maar de rechtbank acht het niet uitgesloten dat er een inbreuk is op het EU-recht en legt daarom prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie. De rechtbank schorst het geding totdat het Hof uitspraak doet over de vraag of de regeling verenigbaar is met het vrij verkeer van diensten en of de rechtvaardiging daarvoor toereikend is.
Uitkomst: De rechtbank schorst de zaak en legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de rechtmatigheid van de BPM-heffing bij tijdelijke verhuur van buitenlandse auto's in Nederland.