ECLI:NL:RBBRE:2010:BN2726
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beperking heffingsrente wegens onvoldoende voortvarendheid bij voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2008
Belanghebbende verzocht op 4 november 2008 om een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2008 vanwege een lijfrente-uitkering van €202.000. De inspecteur legde pas op 13 februari 2009 een voorlopige aanslag op, met heffingsrente berekend vanaf 1 juli 2008. Belanghebbende betaalde op 31 december 2008 een bedrag van €104.000.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door niet binnen een redelijke termijn na het verzoek de aanslag op te leggen, waardoor de heffingsrente onnodig hoog werd. De rechtbank stelt dat een redelijke termijn eindigt op 31 december 2008, aansluitend bij de betaling van belanghebbende.
Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel en het belang van zowel belanghebbende als de Staat wordt de heffingsrente beperkt tot de periode 1 juli tot en met 31 december 2008, wat resulteert in een vermindering van de heffingsrente tot €2.783. De rechtbank wijst verder proceskosten toe aan belanghebbende wegens de procedure.
De rechtbank overweegt tevens dat de wettelijke regeling omtrent heffingsrente niet onbillijk is en geen strijd oplevert met het gelijkheidsbeginsel of het EVRM. Het beroep wordt gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar vernietigd.
Uitkomst: De heffingsrente wordt verminderd tot €2.783 wegens onvoldoende voortvarendheid van de inspecteur bij het opleggen van de voorlopige aanslag.