ECLI:NL:RBBRE:2010:BN3676
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen bij beschikking vastgesteld verlies uit werk en woning
Belanghebbende exploiteerde samen met haar echtgenoot een schoonheidssalon in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma (vof). Voorheen was de salon een eenmanszaak. In 2006 ontstond een verlies uit werk en woning, vastgesteld door de inspecteur. Belanghebbende maakte bezwaar en beroep tegen de vaststelling van het verlies, stellende dat de winst uit onderneming hoger moest zijn.
De rechtbank oordeelde dat het vaste jurisprudentie is dat bezwaar en beroep tegen een aanslag niet kunnen leiden tot een verhoging van die aanslag en evenmin tegen een bij beschikking vastgesteld verlies tot verlaging van dat verlies. Omdat belanghebbendes bezwaar juist een verlaging van het verlies beoogde, had de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren in plaats van ongegrond.
De rechtbank verklaarde daarom het beroep gegrond op formele gronden, vernietigde de uitspraak op bezwaar en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. Dit leidde niet tot wijziging van het vastgestelde verlies. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van belanghebbende.
De winstverdeling binnen de vof was overeengekomen waarbij belanghebbende 75% van de overwinst en 10% van het oververlies toekwam. De inspecteur had de winst toegerekend op basis van 80% voor belanghebbende en 20% voor haar echtgenoot. Belanghebbende stelde dat haar winst hoger moest zijn, maar dit werd niet gevolgd.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bezwaar niet-ontvankelijk, zonder wijziging van het vastgestelde verlies.