ECLI:NL:RBBRE:2010:BO1366
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Premieplicht Nederlandse Rijnvarende voor inkomstenbelasting en volksverzekeringen
Belanghebbende, een Nederlandse matroos werkzaam op een schip dat zowel op de Rijn als andere binnenwateren voer, betwist de Nederlandse premieplicht voor het jaar 2006. De inspecteur stelt dat het Verdrag Rijnvarenden van toepassing is en dat belanghebbende daardoor in Nederland verzekerd is. De rechtbank bevestigt dat het schip voorzien was van het vereiste certificaat en dat belanghebbende als rijnvarende kwalificeert volgens het Verdrag.
De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een Rijnvaartverklaring voor het betreffende jaar niet afdoet aan de toepasselijkheid van het Verdrag Rijnvarenden. Ook wordt aan de E106-verklaring, afgegeven op basis van de Verordening (EG) nr. 1408/71, geen betekenis toegekend omdat het Verdrag voorrang heeft. De onderneming waartoe het schip behoort, wordt vastgesteld als gevestigd in Nederland, wat premieplicht in Nederland rechtvaardigt.
Belanghebbende's beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt verworpen omdat geen sprake is van begunstigend beleid of schending van de meerderheidsregel. Het verzoek om de Sociale Verzekeringsbank als derde belanghebbende toe te voegen wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: Belanghebbende is premieplichtig in Nederland op grond van het Verdrag Rijnvarenden; beroep ongegrond verklaard.