ECLI:NL:RBBRE:2010:BO1394
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Premieplicht van Rijnvarende voor sociale verzekeringen in Nederland bevestigd
Belanghebbende, een Nederlandse kapitein werkzaam op een schip dat zowel op de Rijn als andere binnenwateren voer, betwistte zijn premieplicht in Nederland voor het jaar 2005. De inspecteur stelde dat op grond van het Verdrag Rijnvarenden de verzekeringsplicht aan Nederland is toegewezen. Belanghebbende verwees naar een E106-verklaring die verzekeringsplicht in het buitenland zou aantonen.
De rechtbank stelde vast dat het schip voorzien was van een Rijnvaartverklaring en dat belanghebbende als rijnvarende kwalificeerde volgens het Verdrag. De E106-verklaring, gebaseerd op de Verordening (EG) nr. 1408/71, was niet van toepassing omdat het Verdrag Rijnvarenden voorrang heeft. De inspecteur slaagde erin aannemelijk te maken dat de onderneming waartoe het schip behoort in Nederland is gevestigd en dat deze onderneming het schip exploiteert.
Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen sprake was van begunstigend beleid of schending van de meerderheidsregel. Het verzoek om de Sociale Verzekeringsbank als partij toe te voegen werd afgewezen omdat deze geen zelfstandig belang had in de procedure. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat belanghebbende premieplichtig is in Nederland op grond van het Verdrag Rijnvarenden en verklaart het beroep ongegrond.