4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht van feit 1, gelet op de aangifte van de heer [slachtoffer], de derde verklaring van mevrouw [betrokkene] en de gedeeltelijk bekennende verklaring van verdachte, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een diefstal met geweld (zoals onder A tenlastegelegd) heeft gepleegd. Zij acht de derde verklaring van mevrouw [betrokkene], afgelegd op 1 juni 2010, betrouwbaar.
Ook feit 2, de vernieling van de auto van [slachtoffer], acht zij wettig en overtuigend bewezen, gelet op de aangifte van [slachtoffer] en voornoemde verklaring van mevrouw [betrokkene].
Ten slotte acht de officier van justitie feit 3, de poging tot afpersing van [slachtoffer] middels een brief, gepleegd samen met een ander, wettig en overtuigend bewezen. Verdachte erkent immers dat hij de brief, die in het dossier zit, heeft geschreven en heeft gestuurd naar [slachtoffer]. Mevrouw [betrokkene] heeft verklaard de brief te hebben gezien en de envelop te hebben geschreven. De woorden in de brief dat tot incasso wordt overgegaan als [slachtoffer] niet met het voorstel van verdachte akkoord gaat, zijn, mede gelet op de hele situatie, buitengewoon bedreigend, aldus de officier van justitie.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman is ten aanzien van feit 1 van mening dat de verklaring van mevrouw [betrokkene] van 1 juni 2010 niet geloofwaardig is. Deze verklaring is ingegeven door wrokgevoelens, waardoor zij verdachte een hak heeft willen zetten. Volgens de raadsman moet uitgegaan worden van de tweede verklaring van mevrouw [betrokkene] van 2 april 2010 en van de verklaring van verdachte. Aangever is namelijk, waarschijnlijk uit schaamte voor het feit dat hij seks met een prostituee had gehad, niet volledig in zijn verklaring en deels ongeloofwaardig. Verdachte is achter de auto van verdachte aangereden om met woorden verhaal te halen. Hij wilde dat aangever betaalde voor de bewezen diensten. Duidelijk is dat verdachte goederen heeft meegenomen en onder zich heeft gehouden, maar hij wilde ze terug geven en heeft niet het oogmerk gehad zich deze goederen toe te eigenen. Hij heeft ook geen knuppel uit de auto meegenomen en het is het slachtoffer geweest die de aanrijding heeft veroorzaakt. Hij heeft geen geweld gebruikt voor de diefstal van deze goederen, maar heeft de overige handelingen zoals die in de tenlastelegging staan vermeld, verricht om verhaal te halen en niet om de goederen te stelen. Er bestaat dan ook geen causaal verband tussen de diefstal van de goederen en de tenlaste gelegde geweldshandelingen, aldus de raadsman.
Voor zover het onder B tenlaste gelegde, de poging tot afpersing dan wel poging tot diefstal met geweld van 50 euro, aan de orde mocht komen, is de raadsman van mening dat er sprake was van een overeenkomst en dat verdachte wellicht de grenzen van hetgeen maatschappelijk betamelijk is, heeft overschreden, maar dat dit ook het geval was bij [slachtoffer] die immers niet wilde stoppen, waardoor het handelen van verdachte niet wederrechtelijk was.
Ten aanzien van feit 2 is de verdediging van mening dat vrijspraak dient te volgen omdat verdachte de aanrijding niet heeft veroorzaakt. Bovendien is geen sprake van vernieling, zoals de officier van justitie heeft gesteld, maar slechts van beschadiging, nu alleen een fikse kras op de auto is ontstaan door de aanrijding.
Ook feit 3, de poging tot afpersing middels het versturen van een brief, acht de raadsman niet bewezen. Verdachte heeft bedoeld te zeggen dat hij een incassobureau zou inschakelen als [slachtoffer] niet 50 euro en de schade aan zijn auto zou betalen. Hij heeft de grenzen van hetgeen maatschappelijk nog betamelijk is, niet overschreden, aldus de raadsman.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Op de avond van 11 februari 2010 heeft zich op de snelweg A59 een incident voorgedaan.
Aan[slachtoffer]achtoffer], wonende in Made, heeft hierover verklaard dat hij die avond, nadat hij op de parkeerplaats ’t Vaerland was geweest, met zijn personenauto op de rechterrijstrook van de snelweg A59 reed, toen hij ongeveer een kilometer voor de stoplichten bij knooppunt Hooipolder een auto links naast hem zag komen rijden. Hij zag dat de bestuurder hem van de weg probeerde te drukken. Hij herkende de vrouw die op de passagiersstoel zat als degene die eerder op de parkeerplaats contact met hem had gehad. Hij zag dat de bestuurder van die auto met handgebaren hem probeerde duidelijk te maken dat hij moest stoppen. Vlak voor de stoplichten, die op rood stonden, zag die bestuurder kans zijn auto vlak voor hem tot stilstand te brengen, waardoor [slachtoffer] ineens hard moest remmen. Toen hij zag dat de bestuurder uitstapte, is [slachtoffer] van schrik achteruit gereden naar de vluchtstrook. Hij zag dat die bestuurder weer in zijn auto stapte en ook achteruit reed via de vluchtstrook. [slachtoffer] heeft vervolgens zijn auto weer in de 1e versnelling gezet om vooruit weg te komen, heeft gas gegeven en is onder een hoek van 45 graden de snelweg opgereden. Hij kon een botsing met de andere auto niet meer voorkomen. Hij zag vervolgens dat die andere bestuurder opnieuw uit zijn auto kwam. Hij zag dat die man een knuppel in zijn hand hield. [slachtoffer] is uitgestapt en is weggelopen bij zijn auto. Hij zag dat die man naar het opengelaten portier van zijn, [slachtoffer]’, auto liep, in de auto stapte en naar het dashboardkastje reikte. De man stapte toen uit en riep dat hij [slachtoffer] wist te wonen. Die man is toen weggereden in zijn eigen auto. Toen [slachtoffer] bij zijn auto terugkwam zag hij dat het dashboardkastje open stond en dat zijn Tom-Tom weg was. Later ontdekte hij dat zijn kentekenbewijs, zijn rijbewijs, een foedraal met daarin een alarmpistool en een doosje met bijbehorende kogeltjes was weggenomen.