ECLI:NL:RBBRE:2010:BO3373
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Navordering vennootschapsbelasting wegens onzakelijke betalingen aan Gibraltar-vennootschappen
Belanghebbende, een softwarehandel en detacheringsbedrijf, werd geconfronteerd met een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1997. De inspecteur stelde dat betalingen aan twee Gibraltar-vennootschappen, [onderneming A] en [onderneming I], geen zakelijk karakter hadden omdat deze vennootschappen geen wezenlijke prestaties verrichtten. De rechtbank bevestigde dat sprake was van een belangengemeenschap met [B] als uiteindelijke aandeelhouder en dat de betalingen feitelijk dienden ter bevrediging van zijn persoonlijke behoeften.
De rechtbank achtte aannemelijk dat [onderneming A] en [onderneming I] nagenoeg risicoloos opereerden en stelde een kost-plus vergoeding van 5% vast voor de verrichte werkzaamheden. Tevens werd een fictief salaris voor [B] van ƒ 176.297 vastgesteld. De navorderingsaanslag werd verminderd tot een belastbaar bedrag van ƒ 526.036. De boete van 50% werd gematigd tot 25% vanwege een onredelijke termijnverloop in de procedure.
Belanghebbende voerde verweren aan tegen de hoogte van de boete en stelde dat de strafzaak tegen haar was geseponeerd, maar de rechtbank verwierp deze argumenten. Ook werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening verworpen. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige belastingkamer van de rechtbank Breda op 29 oktober 2010.
Uitkomst: De navorderingsaanslag en boete worden verminderd, beroep gegrond verklaard en proceskosten aan belanghebbende toegewezen.