ECLI:NL:RBBRE:2010:BO5413

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
19 november 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/497
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27h AWRArt. 28 AWRAfdeling 8.2.6 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens onjuiste heffingskorting

Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2002 opgelegd wegens niet aangegeven vermogen bij een buitenlandse bank. De rechtbank oordeelde ambtshalve in een tussenuitspraak dat in de oorspronkelijke aanslag de heffingskorting ten onrechte was bijgeteld in plaats van afgetrokken. Hierdoor was destijds al meer belasting geheven dan nu bij navordering zou kunnen worden geheven bij correcte verwerking.

De rechtbank achtte het feit dat de ontvanger het juiste bedrag had terugbetaald irrelevant. De navorderingsaanslag werd daarom vernietigd. De inspecteur stemde met deze conclusie in en belanghebbende maakte geen gebruik van de mogelijkheid om hierop te reageren.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de navorderingsaanslag en de boetebeschikking, en bepaalde dat de heffingsrente nihil werd gesteld. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van belanghebbende.

De uitspraak werd gedaan zonder nadere zitting omdat het geschil zich beperkte tot de juistheid van de navorderingsaanslag en belanghebbende geheel in het gelijk werd gesteld. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: De navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2002 wordt vernietigd wegens onjuiste verwerking van de heffingskorting.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 09/497
Uitspraakdatum: 19 november 2010
Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/ Oost-Brabant, kantoor Eindhoven,
verweerder.
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.
1.Overwegingen
1.1.De rechtbank verwijst naar de inhoud van de tussenuitspraak van 8 september 2010 waarin de rechtbank ambtshalve heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak en de navorderingsaanslag.
1.2.De inspecteur heeft bij brief van 6 oktober 2010 aangegeven dat hij met deze conclusie instemt.
1.3.De rechtbank heeft belanghebbende bij brief van7 oktober 2010 de mogelijkheid gegeven op de brief van de inspecteur te reageren. Belanghebbende heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
1.4.Nu het geschil zich beperkt tot de juistheid van de navorderingsaanslag en belanghebbende geheel in het gelijk wordt gesteld, ziet de rechtbank aanleiding de zaak af te doen zonder nadere zitting. Het beroep is gegrond.
1.5.De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 966 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 161, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).
2.Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de navorderingsaanslag en de boetebeschikking;
-vermindert de heffingsrente tot nihil;
-veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 966;
-gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 39 aan deze vergoedt.
Aldus gedaan door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr A.A. den Hartog en mr. W. Brouwer, rechters, en door de voorzitter ondertekend. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
De griffier, De voorzitter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 2 december 2010
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.