ECLI:NL:RBBRE:2010:BP2621
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak bezwaar uitstel betaling conserverende aanslag schenkingsrecht
Belanghebbende ontving op 21 april 2006 aandelen geschonken van zijn vader en deed op 26 april 2006 aangifte schenkingsrecht met verzoek om toepassing van bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Op 3 maart 2009 werd een conserverende aanslag schenkingsrecht opgelegd van € 30.903. De ontvanger verleende op 7 mei 2009 uitstel van betaling voor vijf jaar voor € 22.579 en voor tien jaar voor € 8.144.
Belanghebbende maakte bezwaar tegen het uitstel van betaling voor vijf jaar, dat door de ontvanger op 4 mei 2010 niet-ontvankelijk werd verklaard en geen proceskostenvergoeding werd toegekend. De rechtbank verklaarde het bezwaar alsnog ontvankelijk en vernietigde de uitspraak op bezwaar, oordeelde dat het uitstel van betaling terecht was verleend conform de tekst van artikel 6 UR Pro IW van vóór 21 februari 2007, en handhaafde de beschikking.
De rechtbank oordeelde dat artikel 6 UR Pro IW niet onverbindend is omdat de Staatssecretaris zijn bevoegdheid correct heeft gebruikt. De nieuwe regeling van 21 februari 2007 is niet van toepassing op het belastbare feit van 21 april 2006. De rechtbank veroordeelde de ontvanger tot vergoeding van proceskosten van € 403 en het griffierecht van € 41 aan belanghebbende.
Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. De uitspraak is onherroepelijk indien geen rechtsmiddel wordt ingesteld binnen die termijn.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en het uitstel van betaling gehandhaafd tot 3 mei 2014 met toekenning van proceskostenvergoeding aan belanghebbende.