ECLI:NL:RBBRE:2011:BP6219
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.H. de Kroon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering kennelijk onredelijk ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid
De werknemer was sinds november 1987 in dienst bij InBev en werd in augustus 2006 arbeidsongeschikt door reumatische klachten. Na een periode van re-integratie en het verrichten van administratieve werkzaamheden, ontving hij in augustus 2008 een WIA-uitkering. InBev vroeg eind 2009 een ontslagvergunning aan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid, welke in april 2010 werd verleend. Vervolgens werd de arbeidsovereenkomst opgezegd per 1 juli 2010.
De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was omdat het zou samenhangen met een eerdere reorganisatie en dat hij recht had op een hogere vergoeding. De rechtbank stelde vast dat er geen reorganisatie meer speelde en dat de ontslagaanvraag terecht was gebaseerd op langdurige arbeidsongeschiktheid. De re-integratie-inspanningen van InBev waren voldoende en er was geen passend werk met loonwaarde beschikbaar.
De werknemer voerde aan dat het ontslag ernstige gevolgen had vanwege inkomensverlies, maar de rechtbank oordeelde dat dit risico bij het moment van ontslag niet bekend was en dat InBev een gerechtvaardigd belang had bij beëindiging van het dienstverband. Het enkele feit van inkomensverlies was onvoldoende om het ontslag kennelijk onredelijk te achten.
Daarom vernietigde de rechtbank het verstekvonnis dat het ontslag kennelijk onredelijk had verklaard en wees de vorderingen van de werknemer af. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid is niet kennelijk onredelijk; vorderingen werknemer worden afgewezen.