ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ4087
Rechtbank Breda
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Geen einde van rechtswege arbeidsovereenkomst na aanvraag volledig prepensioen
De werkneemster, geboren in 1948, diende op 25 augustus 2010 een aanvraag in voor volledig prepensioen met ingang van 1 oktober 2010. De werkgever meldde haar bij brief van 11 oktober 2010 met terugwerkende kracht uit dienst, maar de werkneemster gaf in brieven van 13 en 23 oktober 2010 aan het dienstverband te willen voortzetten en werkte tot 22 oktober 2010 door.
De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2010 was geëindigd op grond van cao-bepalingen en het prepensioenreglement, dat een einde van rechtswege aan het dienstverband bij volledige prepensioenuitkering voorschrijft. De werkneemster betoogde dat de aanvraag van het prepensioen niet gelijk stond aan een opzegging en dat er geen ondubbelzinnige wilsverklaring tot beëindiging was.
De kantonrechter oordeelde dat het prepensioen afhankelijk is van de wil van de werknemer en dat het einde van het dienstverband niet automatisch volgt uit de aanvraag. Gezien het ontbreken van een duidelijke opzegging en de voortzetting van werkzaamheden, is het dienstverband naar voorlopig oordeel voortgezet. De loonvorderingen na 1 oktober 2010 werden daarom toegewezen, terwijl vorderingen over eerdere perioden werden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.
Verder werd een geschil over een incident op 22 oktober 2010 en de daaruit voortvloeiende schadevergoeding afgewezen wegens onvoldoende bewijs. De wettelijke verhoging op het loon werd gematigd tot 10% en de proceskosten werden ieder voor eigen rekening genomen.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst eindigt niet van rechtswege na aanvraag volledig prepensioen; loon wordt doorbetaald vanaf 23 oktober 2010.