ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ7510
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank vernietigt correctie BPM-waarde en gelast integrale proceskostenvergoeding
Belanghebbende deed op 5 maart 2008 aangifte BPM voor een gebruikte personenauto uit Duitsland, waarbij de inspecteur eigenhandig de waarde verhoogde en daarmee de BPM-schuld verhoogde. Belanghebbende betaalde het verhoogde bedrag, maakte bezwaar tegen deze correctie, dat door de inspecteur ongegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de werkwijze van de inspecteur, waarbij zonder naheffing eigenhandig de BPM-waarde werd verhoogd, in strijd is met het wettelijke systeem van heffing door voldoening op aangifte. Dit leidt tot een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, waarbij duidelijk was dat deze handelswijze juridisch niet stand zou houden.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, gelast teruggaaf van het onverschuldigd betaalde bedrag van € 1.983, inclusief heffingsrente conform het beleid van de inspecteur, en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de proceskosten van € 3.465 en het griffierecht van € 297.
Tegelijkertijd erkent de rechtbank dat belanghebbende de BPM terecht heeft berekend op basis van een handelsinkoopwaarde van € 57.867, wat lager is dan de door de inspecteur gehanteerde waarde. De uitspraak is openbaar gedaan op 4 april 2011 en partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de correctie van de BPM-waarde, gelast teruggaaf van € 1.983 inclusief heffingsrente en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van proceskosten.