ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ9117
Rechtbank Breda
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Schorsing concurrentiebeding wegens onvoldoende belang bij handhaving
Eiser was sinds 2006 in dienst bij gedaagde als verkoper en had een concurrentiebeding in zijn arbeidsovereenkomst dat twee jaar na beëindiging van het dienstverband geldt. Na rechtsgeldige opzegging per 1 april 2011 wilde eiser bij Kozion B.V., een belangrijke klant van gedaagde, in dienst treden als filiaalmanager. Gedaagde vreesde dat dit de zakelijke relatie zou schaden en beriep zich op het concurrentiebeding.
De kantonrechter oordeelde dat eiser een spoedeisend belang had bij schorsing van het beding en dat de geldigheid van het beding niet ter discussie stond. Echter, gedaagde had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een gerechtvaardigd belang had bij handhaving, mede omdat eiser geen beslissingsbevoegdheid bij Kozion heeft en de relatie tussen Kozion en gedaagde goed is.
Verder werd meegewogen dat eiser sinds anderhalf jaar niet meer actief was in de markt en het opgebouwde netwerk grotendeels was verdwenen. De kantonrechter concludeerde dat het concurrentiebeding onbillijk was in verhouding tot het te beschermen belang van gedaagde en schorste de werking van het beding voorlopig totdat in de bodemprocedure een definitief oordeel is gegeven.
Uitkomst: De werking van het concurrentiebeding wordt geschorst wegens onvoldoende belang bij handhaving.