ECLI:NL:RBBRE:2011:BR1499
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling discriminatie niet-ingezetene bij aftrek negatieve woninginkomsten in Nederlandse belastingheffing
Belanghebbende, woonachtig in Duitsland, was in 2007 in loondienst werkzaam in Nederland en diende bezwaar in tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Hij wilde de negatieve opbrengst van zijn in Duitsland gelegen eigen woning in aftrek brengen op zijn Nederlandse belastbare inkomen uit werk en woning, zonder gebruik te maken van de keuzeregeling voor binnenlands belastingplichtigen.
De rechtbank baseerde haar oordeel mede op het arrest Renneberg van het Hof van Justitie, waarin is bepaald dat voor de beoordeling van discriminatie het gezinsinkomen bepalend is. Dit gezinsinkomen omvat het totaal van de inkomens van de individuele gezinsleden. In deze zaak bedroeg het inkomen van belanghebbende € 55.320 en dat van zijn echtgenote € 25.753, waardoor hij niet voldeed aan de Schumackernorm.
De rechtbank concludeerde dat de inspecteur niet verplicht is rekening te houden met de negatieve opbrengst van de woning bij het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Ook het argument dat het inkomen van de echtgenote niet relevant zou zijn bij toepassing van de keuzeregeling faalde, omdat belanghebbende deze regeling niet had gekozen.
De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde hiermee de geldende jurisprudentie omtrent discriminatie en de toepassing van de Schumackernorm in de context van grensoverschrijdende belastingheffing.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2007 wordt ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan de Schumackernorm.