ECLI:NL:RBBRE:2011:BR3445

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
18 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/1779
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27d AwbArt. 27h AwbArt. 28 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging naheffingsaanslag omzetbelasting over eerste kwartaal 2005

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode van 1 januari tot en met 31 maart 2005. De inspecteur wees dit bezwaar af op 26 maart 2010. Belanghebbende bracht vervolgens beroep aan bij de rechtbank Breda.

Tijdens de zitting op 5 juli 2011 kwamen partijen overeen dat de naheffingsaanslag moet vervallen. De rechtbank verklaarde daarop het beroep gegrond en vernietigde zowel de uitspraak op bezwaar als de naheffingsaanslag. Tevens werd de inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van €298 te vergoeden.

De rechtbank zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling omdat niet was gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten had gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting wordt vernietigd en het betaalde griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 10/1779
Uitspraakdatum: 18 juli 2011
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats], belanghebbende,
en
de inspecteur van de belastingdienst Oost-Brabant/kantoor Eindhoven, de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 26 maart 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag in de omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2005 (aanslagnummer [nummer].F.01.5501).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, namens belanghebbende, haar directeur mr.drs. [directeur belanghebbende], tot bijstand vergezeld van [naam], en namens de inspecteur [gemachtigden].
1.Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de naheffingsaanslag;
- gelast de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 298 aan haar te vergoeden.
2.Gronden
2.1.Partijen zijn het er ter zitting over eens geworden dat de naheffingsaanslag moet vervallen. Derhalve is het beroep gegrond.
2.2.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat belanghebbende kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.
Aldus gedaan door mr. D.B. Bijl, voorzitter, mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr.dr. K.M. Braun, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies als griffier.
De griffier, De voorzitter,
Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2011.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 22 juli 2011
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.