ECLI:NL:RBBRE:2011:BR5729
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag na inkeer buitenlandse bankrekening binnen wettelijke termijn gehandhaafd
Belanghebbende heeft op 30 december 2009 vrijwillig ingekeerd met betrekking tot een buitenlandse bankrekening die niet was vermeld in de aangifte inkomstenbelasting 1997 en vermogensbelasting 1998. Naar aanleiding hiervan legde de inspecteur op 31 december 2009, de dag waarop de wettelijke navorderingstermijn afliep, een navorderingsaanslag IB/PH 1997 op.
Belanghebbende stelde dat de inspecteur met zijn handelwijze tussen het moment van inkeren en het opleggen van de navorderingsaanslag het beginsel van fair play, het zorgvuldigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel had geschonden, waardoor de aanslag vernietigd zou moeten worden. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur juist handelde gezien het late moment van inkeer en de noodzaak om binnen de wettelijke termijn de aanslag vast te stellen.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur de navorderingsaanslag niet door een deurwaarder had laten betekenen, maar door een collega van de Belastingdienst, en dat belanghebbende en zijn gemachtigde voldoende gelegenheid hadden om te reageren. De stelling dat de inspecteur onzorgvuldig had gehandeld werd verworpen, mede omdat de gemachtigde op de hoogte was van de situatie en het tijdsbestek.
Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel stelde de rechtbank dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, mede omdat de stelling dat een substantieel aantal cliënten van de gemachtigde geen navorderingsaanslag had gekregen onvoldoende concreet was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1997 is ongegrond verklaard.