ECLI:NL:RBBRE:2011:BT8505
Rechtbank Breda
- Voorlopige voorziening
- Van Hooff
- Rechtspraak.nl
Vordering tot opheffing executoriale beslagen wegens onterechte achterstallige alimentatie
De zaak betreft een geschil tussen het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) en een alimentatieplichtige over de inning van kinderalimentatie en de daaraan verbonden opslag- en executiekosten. Het LBIO nam de inning over op verzoek van de onderhoudsgerechtigde, omdat er een vermeende betalingsachterstand was. De alimentatieplichtige betwistte deze achterstand en voerde aan dat hij niet tekortgeschoten was in zijn betalingen.
De rechtbank stelde vast dat het LBIO op grond van artikel 1:408 BW Pro gerechtigd was de inning over te nemen, omdat de onderhoudsgerechtigde aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een betalingsachterstand binnen de zes maanden voorafgaand aan het verzoek. Hoewel later bleek dat de alimentatieplichtige niet consequent was in de betalingsspecificaties en daardoor verwarring ontstond, was onvoldoende aangetoond dat hij niet tekortgeschoten was. Daarom bleef hij de opslagkosten aan het LBIO verschuldigd.
Tegelijkertijd oordeelde de rechtbank dat het executoriaal beslag dat het LBIO legde op de roerende zaken van de alimentatieplichtige en zijn echtgenote onrechtmatig was vanwege een disproportie tussen de hoogte van de executiekosten en de vordering. Het beslag op de woning en bankrekening was toereikend voor verhaal van de kosten, zodat het beslag op roerende zaken onnodig en onrechtmatig was.
De rechtbank bevestigde het verstekvonnis waarin het LBIO werd veroordeeld de beslagen op te heffen en compenseerde de proceskosten van de verzetprocedure tussen partijen. De vordering tot vernietiging van het verstekvonnis door het LBIO werd afgewezen wegens gebrek aan belang.
Uitkomst: Opslagkosten zijn verschuldigd, maar het beslag op roerende zaken is onrechtmatig en moet worden opgeheven.