ECLI:NL:RBBRE:2011:BU4975

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
4 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/1614
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.4 Wet IB 2001Artikel 1 LoodsenwetAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArtikel 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen aftrek verhuiskosten voor aspirant-registerloods zonder onderneming

Belanghebbende, aspirant-registerloods, sloot in maart 2003 een leerovereenkomst voor de opleiding tot registerloods en verhuisde in januari 2004 naar Vlissingen. Na afronding van de opleiding trad hij op 1 april 2004 toe als niet-beherend vennoot tot een maatschap van registerloodsen. Hij bracht in zijn aangifte inkomstenbelasting 2004 verhuiskosten in mindering als ondernemingskosten, wat door de inspecteur werd afgewezen.

De rechtbank oordeelde dat het volgen van de opleiding geen onderneming vormt, omdat er geen risico werd gelopen en er sprake was van een dienstbetrekking. Ook de benoeming tot toekomstig niet-beherend vennoot leidde niet tot het ontstaan van een onderneming, omdat belanghebbende nog geen medegerechtigde was in het ondernemingsvermogen. De verhuizing werd niet gezien als een voorbereidingshandeling voor het ondernemerschap, omdat er onvoldoende direct verband was tussen verhuizing en toekomstige onderneming.

Hierdoor waren de verhuiskosten niet aftrekbaar als ondernemingskosten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De verhuiskosten van belanghebbende zijn niet aftrekbaar als ondernemingskosten en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 11/1614
Uitspraakdatum: 4 oktober 2011
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Rijnmond, kantoor Rotterdam,
de inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 3 september 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 78.573 (aanslagnummer [nummer]H.46).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2011 te Middelburg.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde], verbonden aan Accountants- en Adviesgroep Rijkse te Middelburg, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigden].
1.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2.Gronden
2.1.Belanghebbende heeft als aspirant registerloods op 1 maart 2003 een leerovereenkomst gesloten met de Regionale Loodsencorporatie Scheldemonden (hierna: RLC) en Stichting opleiding en deskundigheidsbevordering registerloodsen (hierna: Strodel). Belanghebbende ontving gedurende de opleiding een maandelijkse vergoeding alsmede een vakantietoeslag van 8%. Daarnaast had belanghebbende volgens de leerovereenkomst recht op een pensioenregeling en vakantiedagen.
2.2.Op 16 januari 2004 is belanghebbende verhuisd naar Vlissingen. Nadat belanghebbende zijn opleiding tot registerloods heeft afgerond, is hij op 1 april 2004 als niet-beherend vennoot toegetreden tot een maatschap van registerloodsen, de [maatschap] (hierna: [de maatschap]). Tussen partijen is niet in geschil dat niet-beherend vennoten van [de maatschap] ondernemer zijn in de zin van artikel 3.4 Wet IB 2001.
2.3.In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2004 heeft belanghebbende een bedrag van € 7.435 aan verhuiskosten in mindering gebracht. Volgens belanghebbende betreffen dit ondernemingskosten. De inspecteur heeft deze aftrek niet toegelaten en heeft dit standpunt bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
2.4.In geschil is of belanghebbende recht heeft op aftrek van de verhuiskosten. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten alleen aftrekbaar zijn indien zij kunnen worden aangemerkt als kosten van onderneming. Belanghebbende stelt dat de verhuizing een voorbereidingshandeling is voor het ondernemerschap als registerloods.
2.5.Naar het oordeel van de rechtbank leidt het enkele feit dat belanghebbende de opleiding tot registerloods volgde niet tot de conclusie dat tijdens die opleiding sprake was van een onderneming. Belanghebbende liep in die periode geen risico en ook kan niet worden gezegd dat sprake was van een organisatie van kapitaal en arbeid waarmee werd deelgenomen aan het economische verkeer. Gelet op de inhoud van de leerovereenkomst was tijdens het volgen van het leertraject sprake van een dienstbetrekking tussen RLC/Strodel en belanghebbende.
2.6.De maatschapovereenkomst van [de maatschap], die behoort tot de stukken van het geding, biedt aspirant-registerloodsen de mogelijkheid om tijdens het leertraject als toekomstig niet-beherend vennoot toe te treden tot de maatschap. De aspirant-registerloods dient zich volgens artikel 6 van Pro de overeenkomst te verplichten om, zodra hij niet-beherend vennoot is, een bedrag aan kapitaal te storten in de maatschap alsmede aandelen te verwerven in onder andere het kapitaal van de beherend vennoot. Belanghebbende stelt dat hij na de selectie in februari 2003 is benoemd tot toekomstig niet-beherend vennoot en dat de positie van toekomstig niet-beherend vennoot moet worden gezien als een aanloopfase naar beherend vennoot. Naar de rechtbank verstaat, bedoelt belanghebbende met deze stelling dat hij reeds als toekomstig niet-beherend vennoot een onderneming dreef.
2.7.Naar het oordeel van de rechtbank leidt de benoeming tot toekomstig niet-beherend vennoot niet tot het ontstaan van een onderneming. Door toetreding als toekomstig niet-beherend vennoot is belanghebbende immers nog geen medegerechtigde geworden tot het ondernemingsvermogen van de maatschap.
2.8.Het enkele feit dat de verhuizing naar Vlissingen voor belanghebbende de mogelijkheid schiep om na toetreding als volwaardig niet-beherend vennoot in [de maatschap] zijn onderneming aldaar te gaan drijven, is niet voldoende om die verhuizing aan te merken als voorbereidingshandeling voor het tot stand komen van die onderneming. Ten tijde van de verhuizing stond immers nog niet vast dat belanghebbende als volwaardig vennoot zou toetreden. Daarvoor was vereist dat de opleiding met goed gevolg zou zijn afgerond en dat belanghebbende van aspirant-registerloods zou zijn bevorderd tot registerloods als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Loodsenwet. Daarvan was ten tijde van de verhuizing nog geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende direct verband is tussen de verhuizing en de toekomstige onderneming.
2.9.Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van kosten van de (toekomstige) onderneming. Voor aftrek van kosten is in dat geval geen ruimte.
2.10.Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
2.11.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 4 oktober 2011 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 13 oktober 2011.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch behandelt het hoger beroep namens het gerechtshof te ‘s-Gravenhage.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.