ECLI:NL:RBBRE:2011:BU8674

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
4 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/1369
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening rioolheffing gemeente BoxtelArt. 2 Verordening rioolheffing gemeente BoxtelArt. 3 lid 1 Verordening rioolheffing gemeente BoxtelArt. 6 lid 1 en 2 Verordening rioolheffing gemeente BoxtelArt. 7 Verordening rioolheffing gemeente Boxtel
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen vermindering aanslag rioolheffing ondanks lekkage en daling waterverbruik

Belanghebbende betwist de aanslag rioolheffing 2010 van de gemeente Boxtel, omdat na reparatie van een lekkage in mei 2009 het waterverbruik aanzienlijk daalde van 729 m³ naar 118 m³ in 2010. Hij stelt dat het niet billijk is om de aanslag te baseren op het hogere verbruik.

De rechtbank stelt vast dat de aanslag is gebaseerd op de afrekening van de waterleverancier, de NV, over het verbruik in 2009, conform de gemeentelijke verordening. Deze verordening bepaalt dat de rioolheffing wordt geheven naar het waterverbruik zoals vastgesteld in de laatste verbruiksperiode voorafgaand aan het belastingjaar.

Belanghebbende voert aan dat de NV nalatig was door het zogenaamde lektarief niet toe te passen, dat bij lekkages een lager tarief mogelijk maakt. De rechtbank oordeelt echter dat dit niet ter beoordeling van de belastingrechter behoort en dat de heffingsambtenaar terecht geen vermindering van de aanslag heeft gegeven.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter W.A.P. van Roij op 4 november 2011.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag rioolheffing 2010 wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft ongewijzigd.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 11/1369
Uitspraakdatum: 4 november 2011
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Boxtel,
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de heffingsambtenaar van 10 september 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag rioolheffing 2010.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2011 te ’s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn verschenen en gehoord, de echtgenote van belanghebbende, [echtgenote], en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigde].
1.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2.Gronden
2.1.De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 28 februari 2010 aan belanghebbende de aanslag rioolheffing 2010 opgelegd van € 949 naar een waterverbruik van 729 m³ en vervolgens het bezwaar van belanghebbende daartegen ongegrond verklaard.
2.2.In geschil is of de aanslag terecht en voor het juiste bedrag is opgelegd.
2.3.Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij vanwege een aan N.V. [de N.V.] (hierna: de NV) te wijten nalatigheid al jaren teveel rioolheffing betaalt. Immers, zo stelt belanghebbende, na reparatie van een lekkage in mei 2009 door de NV, is het waterverbruik aanzienlijk gedaald naar 118 m³ in 2010. Het is dan niet billijk dat belanghebbende in 2010 nog de aanslag over 729 m³ dient te betalen.
2.4.1.Artikel 1, aanhef en onder c, van de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2010 van de gemeente Boxtel (hierna: de verordening)bepaalt:
“Deze verordening verstaat onder:
(…)
c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van N.V. [de N.V.] te
[woonplaats] betrekking heeft;
(…) “
2.4.2.Artikel 2 van Pro de verordening bepaalt:
“Onder de naam rioolheffing worden een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater”.
2.4.3.Artikel 3, lid 1, van de verordening bepaalt:
“De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen.”
2.4.4.In artikel 6, lid 1 en 2, van de verordening is bepaald:
“1. De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.
2. Het aantal kubieke meters water wordt vastgesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.”
2.4.5.In artikel 7 van Pro de verordening is het belastingtarief bepaald. Het tarief is, voor zover hier van belang:
€ 161 voor een hoeveelheid water van maximaal 200 m³;
€ 1,49 voor elke m³ meer boven de 200 m³, bij een verbruik van meer dan 200 m³.
2.5.Uit artikel 6, lid 2, van de verordening volgt dat de aanslag rioolheffing over het jaar 2010 wordt gebaseerd op het waterverbruik ter zake waarvan belanghebbende in 2009 de afrekening van de NV heeft ontvangen. Niet is in geschil is dat volgens die afrekening het verbruik 729 m³ is geweest. Nu uitgegaan moet worden van een verbruik van 729 m³ is de aanslag, rekening houdende met de in artikel 7 van Pro de verordening vermelde tarieven, juist vastgesteld. Het waterverbruik volgens de in het jaar 2010 ontvangen afrekening vormt de heffingsgrondslag voor de aanslag rioolheffing 2011. De omstandigheid dat die afrekening volgens belanghebbende slechts een waterverbruik vermeldt van 118 m³ is geen reden om die afrekening reeds als heffingsgrondslag voor de aanslag rioolheffing 2010 aan te merken.
2.6.Belanghebbende heeft gesteld dat het niet billijk is dat de gemeente haar aanslaat voor een waterverbruik dat aan de NV te wijten is. De heffingsambtenaar heeft gemotiveerd gesteld dat op grond van de Uitvoeringsregeling rioolrecht geen heffing plaatsvindt voor die hoeveelheid water waarop de NV het zogenaamde lektarief heeft toegepast. De NV past dit tarief toe bij cliënten die een onzichtbare en/of onhoorbare lekkage hebben gehad. Vaststaat dat de NV dit tarief ten aanzien van belanghebbende voor de onderhavige verbruiksperiode niet heeft toegepast. De heffingsambtenaar heeft naar het oordeel van de rechtbank de aanslag dan ook niet hoeven te verminderen. Belanghebbendes beroepsgrond faalt.
2.7.Voor zover belanghebbende bedoeld heeft te stellen dat de NV ten onrechte het lektarief niet heeft toegepast wijst de rechtbank er op dat dit niet ter beoordeling aan de belastingrechter voorgelegd kan worden.
2.8.Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.
2.9.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 4 november 2011 door mr. W.A.P. van Roij, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 14 november 2011.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.