ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9032

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
20 april 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
231708 FA RK 11-905
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Schoonen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:268 lid 2 sub a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontheffing van ouders van het gezag en benoeming voogd over minderjarige

De rechtbank Breda behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming om de ouders te ontheffen van het gezag over hun minderjarige kind, dat sinds 2008 in een netwerkpleeggezin verblijft. De moeder heeft geen contact meer met het kind, terwijl de vader door verslavingsproblemen slechts beperkt betrokken is. De minderjarige maakt een positieve ontwikkeling door in het pleeggezin bij haar tante, die als hoofdopvoeder belangrijke beslissingen neemt.

De vader verzet zich gevoelsmatig tegen ontheffing van zijn gezag, omdat hij ondanks zijn beperkte rol een band met het kind heeft. De tante ondersteunt het belang van het kind bij een stabiele opvoedingssituatie, maar staat terughoudend tegenover voogdij vanwege onzekerheid over de pleegzorgvergoeding. De moeder is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank oordeelt dat het belang van de minderjarige zich niet verzet tegen ontheffing van beide ouders vanwege hun persoonlijke en verslavingsproblemen. De rechtbank benoemt de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant tot voogd om continuïteit en duidelijkheid te waarborgen. De ouders moeten verantwoording afleggen aan de voogd over het vermogen van de minderjarige. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open.

Uitkomst: De ouders worden ontheven van het gezag over de minderjarige en de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant wordt benoemd tot voogd.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Team jeugdrecht
Enkelvoudige Kamer
Zaaknummer: 231708 FA RK 11-905
beschikking betreffende ontheffing van het gezag,
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming,
regio Midden- en West-Brabant,
gevestigd Meerten Verhoffstraat 18, 4811 AS Breda,
en
[naam vader]
wonende te Werkendam,
verder te noemen de vader,
advocaat mr D.M.S. van der Wulp,
en
[naam moeder],
wonende te Gorinchem,
verder te noemen de moeder,
betreffende de minderjarige [naam [voornaam minderjaige]jarige], roepnaam [voornaam minderjaige], geboren te [geboortedatum en plaats]
1. Het verloop van het geding
Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 2 maart 2011 ontvangen verzoekschrift van de Raad voor de Kinderbescherming locatie Breda, verder ook te noemen: de raad, met bijlagen, waaronder een rapportage, gedateerd 22 februari 2011;
- de beschikking van de kinderrechter te Breda van 17 mei 2010 (215931 JE RK 10-297);
- de op 7 maart 2011 ingekomen brief van de raad, met bijlagen, waaronder een uittreksel uit het gezagsregister betreffende de genoemde minderjarige;
- de op 18 maart 2011 ingekomen brief van de advocaat van de vader;
- de oproeping van de griffier van deze rechtbank van de moeder in dagblad het 'Algemeen Dagblad';
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 7 april 2011;
- de op 19 april 2011 ingekomen faxbrieven van de stichting, met als bijlage een een door de stichting ondertekende bereidverklaring, gedateerd 19 april 2011.
Als belanghebbenden in deze zaak zijn aangemerkt:
1. [naam tante], tante vaderszijde van de minderjarige;
2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd Markendaalseweg 44.
2. Het verzoek
De raad verzoekt, samengevat, de ouders te ontheffen van het gezag over genoemde minderjarige. De raad stelt voor om als voogdes over de minderjarige [naam tante]
- voornoemd - te benoemen.
3. De beoordeling
3.1 De ouders hebben het gezag over de minderjarige.
3.2 De raad heeft, ter toelichting op het verzoek, samengevat aangevoerd dat [voornaam minderjaige] sinds maart 2008 in het huidige netwerkpleeggezin verblijft. Met haar moeder als vaste betrouwbare opvoedster heeft [voornaam minderjaige] geen band kunnen opbouwen wegens relationele en persoonlijke problemen. Sinds 2008 is er helemaal geen contact meer met moeder geweest. Met vader heeft [voornaam minderjaige] een hechte band opgebouwd. Door persoonlijke problematiek, verslavingsproblemen is vader welwillend, maar beperkt en onvoorspelbaar in zijn mogelijkheden om voor [voornaam minderjaige] te zorgen. Beide ouders hebben dermate veel persoonlijke problemen dat zij met moeite in staat zijn voor zichzelf te zorgen en de opvoeding voor een jong kind voor hen niet haalbaar is. [voornaam minderjaige] maakt in het pleeggezin een positieve ontwikkeling door. [voornaam minderjaige] heeft behoefte aan een duidelijke en voorspelbare opvoedingssituatie, welke haar in het pleeggezin bij tante wordt geboden. Moeder neemt niet actief deel aan het leven van [voornaam minderjaige], terwijl vader naar eigen beperkte vermogens deel uitmaakt van het leven van [voornaam minderjaige] bij tante. Tante neemt - als hoofdopvoeder - de belangrijke beslissingen en is eindverantwoordelijke voor de opvoeding in plaats van vader. Het doel van de ondertoezichtstelling, te weten herstel van de gezinsrelatie, wordt op zowel korte als lange termijn niet verwacht en ook onwaarschijnlijk geacht. Een ontheffing garandeert continuering van de plaatsing van [voornaam minderjaige] in het perspectiefbiedende pleeggezin en biedt zowel haar als de ouders duidelijkheid. Om de hulpverlening en de plaatsing van [voornaam minderjaige] zo optimaal mogelijk te maken is een kader wenselijk waarin ook besluiten genomen kunnen worden vanuit de directe verantwoordelijkheid voor haar. [voornaam minderjaige] heeft duidelijkheid nodig over de toekomst en kan zich vervolgens meer en beter hechten aan tante, waarbij er tegelijkertijd rust ontstaat om op een ontspannen wijze contact te onderhouden met vader en in de toekomst mogelijk ook met moeder. In dat licht wordt bekleding van de tante met de voogdij als de meest passende oplossing gezien, dit gelet op de positieve manier waarop zij nu al de verantwoordelijkheid draagt voor [voornaam minderjaige] alsook het draagvlak voor voogdij door tante bij vader.
3.3 Namens en door de ter zitting verschenen vader is - samengevat - verklaard dat hij de inhoud van de raadsrapportage ondersteunt, voor zover daarin is geconcludeerd dat aan [voornaam minderjaige] bij tante een perspectiefbiedende opvoedingssituatie wordt geboden. Hij ziet ook het belang in dat [voornaam minderjaige] heeft bij een ontheffing van het gezag over haar van de moeder. De vader verzet zich echter tegen het verzoek, voor zover daarmee wordt beoogd hem te ontheffen van het gezag. Gevoelsmatig heeft hij daar moeite mee, nu hij als ouder op afstand in materieel en immaterieel opzicht een beperkte rol is blijven spelen in de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjaige], hetgeen in zijn optiek niet geldt voor de vrouw.
3.4 De sub 1 genoemde belanghebbende heeft ter zitting verklaard zich bij het standpunt
van de vader aan te sluiten, voor zover dit ziet op het verzoek van de raad om hem van het gezag te ontheffen. Verder heeft zij opgemerkt dat zij er tijdens het raadsonderzoek blijk van heeft gegeven blij te zijn dat zij wordt erkend in haar zorg en betrokkenheid op [voornaam minderjaige], maar dat een benoeming van haar tot voogdes door haar niet langer wordt ondersteund, bij gebrek aan de garantie dat in het geval dat zij tot voogdes mocht worden benoemd de pleegzorgvergoeding blijft doorlopen.
3.5 De stichting heeft de rechtbank per fax een door haar op 19 april 2011 ondertekende verklaring doen toekomen. Daarin heeft zij zich bereid verklaard de voogdij over de minderjarige op zich te nemen.
3.6 De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Evenmin heeft zij een verweerschrift ingediend.
3.7 De rechtbank is, gelet op de inhoud van de stukken en de behandeling ter terechtzitting, van oordeel dat het verzoek tot vrijwillige ontheffing van de moeder als op de wet gegrond kan worden toegewezen, nu het belang van de minderjarige zich daartegen niet verzet.
3.8 Nu de vader zich tegen vrijwillige ontheffing verzet dient de rechtbank te beoordelen
of er gronden zijn voor een gedwongen ontheffing. In dat verband wordt overwogen dat de vader weliswaar binnen zijn mogelijkheden betrokken is bij de minderjarige. Ofschoon deze door vader getoonde verbondenheid te prijzen valt brengt dit niet tevens met zich dat hij geschikt is de opvoeding van de minderjarige op zich te nemen. Zulks klemt temeer nu bij de vader opnieuw sprake is van problemen op het persoonlijke vlak en van (opnieuw) toenemende verslavingsproblematiek. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee ook ten aanzien van de vader voldaan aan de wettelijke grond - genoemd in artikel 1:266 Burgerlijk Pro Wetboek - voor ontheffing van het gezag.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de raad tot ontheffing van de vader en van de moeder van het gezag in het belang van de minderjarige dient te worden toegewezen. Voorts ziet de rechtbank in het verhandelde ter zitting aanleiding, in zoverre in afwijking van het verzoek van de raad, over de minderjarige de stichting tot voogdes te benoemen.
4. De beslissing
De rechtbank
ontheft de moeder en de vader van het gezag over de minderjarige
[naam [voornaam minderjaige]jarige], roepnaam [voornaam minderjaige], geboren te [plaats en datum]
benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige de Stichting Bureau Jeugdzorg
Noord-Brabant, gevestigd Markendaalseweg 44, 4811 KC Breda, hierna te noemen de stichting;
bepaalt dat de ouders rekening en verantwoording zullen afleggen aan de hierbij benoemde voogdes terzake van het gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer dan wel anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Schoonen, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
in tegenwoordigheid van Baremans, griffier.
Mededeling van de griffier:
Tegen deze beschikking kan voor zover het een eindbeschikking betreft hoger beroep worden ingesteld:
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van deze beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.
Het beroepschrift moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend bij het gerechtshof te
's-Hertogenbosch.
verzonden op: