ECLI:NL:RBBRE:2011:BU9397
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Louwerse
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid vennoten voor arbeidsongeval en regresvordering verzekeraar
In deze zaak vordert Delta Lloyd, verzekeraar van Luppens, regresbetaling van vennoten van de ontbonden vennootschap DGL wegens een arbeidsongeval waarbij werknemer [V] ernstig gewond raakte. DGL was onderaannemer bij de bouw van viaducten en had werknemers van Van Laere ingezet. Delta Lloyd stelt dat DGL als materiële werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 lid 4 BW Pro en dat de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn wegens ontbinding van DGL.
De rechtbank oordeelt dat DGL inderdaad als materiële werkgever kan worden aangemerkt, ondanks dat de werknemers formeel bij Van Laere in dienst waren, omdat DGL gezag uitoefende en instructies gaf. De zorgplicht van DGL is geschonden door onvoldoende veiligheidsmaatregelen zoals het ontbreken van een trappentoren en onvoldoende toezicht op het gebruik van valbescherming. De vennoten Eiffage en Van Laere zijn hoofdelijk aansprakelijk op grond van artikel 18 Wetboek Pro van Koophandel.
Verder wordt geoordeeld dat de regresvordering van Delta Lloyd niet is verjaard omdat de verjaringstermijn pas begint te lopen vanaf het moment dat de schuldenaar aansprakelijk is gesteld. De bijdrageplicht tussen DGL en Luppens wordt vastgesteld op 2/3 voor DGL en 1/3 voor Luppens. De rechtbank veroordeelt Eiffage en Van Laere tot betaling van ruim 99.875 euro plus rente en kosten.
De vordering jegens de verkeerde vennootschap Demathieu et Bard wordt afgewezen. De rechtbank wijst het verzoek om de procedure aan te houden af. De buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden eveneens toegewezen aan Delta Lloyd.
Uitkomst: Vennoten Eiffage en Van Laere worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van EUR 99.875,03 plus rente en kosten aan Delta Lloyd wegens arbeidsongeval.