ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1518

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
4 maart 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/2199
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.5 Wet IB 2001Art. 2, vijfde lid, Wet LB 1964Afdeling 8.2.6 AwbArt. 27d AWR
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling belastingheffing loon binnenlands belastingplichtige woonachtig in België

Belanghebbende, woonachtig in België, ontving in 2007 loon van een Nederlandse werkgever en betaalde daarop loonheffing. Hij koos in zijn aangifte voor binnenlandse belastingplicht. De inspecteur legde de aanslag conform deze aangifte op.

Belanghebbende stelde dat het loon niet in Nederland mocht worden belast omdat hij ook in België belasting betaalde over zijn inkomen, waaronder gemeentelijke opcentiemen. De kern van het geschil was of artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van toepassing was, dat werknemers die niet in Nederland wonen en nagenoeg geheel buiten Nederland werken, vrijstelt van Nederlandse loonbelasting.

De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij daadwerkelijk werkzaamheden in België had verricht naast zijn werkzaamheden in Nederland. Hierdoor kon de vrijstelling niet worden toegepast en bleef de aanslag terecht opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 2007 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 10/2199
Uitspraakdatum: 4 maart 2011
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats] (België),
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor Tilburg,
verweerder.
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 22 april 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2007 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (aanslagnummer [nummer]H.76).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te St. Michielsgestel, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende woont in België. Hij heeft in het onderhavige jaar € 8.831 aan loon van zijn in Nederland gevestigde werkgever, [X] B.V., ontvangen. Ter zake van dit loon is € 2.881 loonheffing ingehouden en afgedragen.
2.2. In zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PH) heeft belanghebbende gekozen voor behandeling als binnenlands belastingplichtige in de zin van artikel 2.5 van de Wet IB 2001. De onderhavige aanslag is conform de ingediende aangifte opgelegd. Belanghebbende heeft in 2007 ook personenbelasting in België betaald, bestaande uit de gemeentelijke opcentiemen.
2.3. Partijen houdt in beroep uitsluitend nog verdeeld het antwoord op de vraag of het bepaalde in artikel 2, vijfde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB) eraan in de weg staat om het onder 2.1 genoemde loon in de heffing van IB/PH te betrekken, omdat belanghebbendes gehele inkomen in België is onderworpen aan een belasting naar het inkomen, namelijk de in België geheven gemeentelijke opcentiemen.
2.4. In artikel 2, vijfde lid, Wet LB is bepaald dat niet als werknemer wordt beschouwd degene die niet in Nederland woont, met betrekking tot een gedeeltelijk, maar niet nagenoeg geheel buiten Nederland vervulde dienstbetrekking, voor zover het loon uit die dienstbetrekking met inachtneming van de verdragen waarbij de Staat der Nederlanden partij is, feitelijk is onderworpen aan een belasting naar het inkomen die door of vanwege een andere Mogendheid wordt geheven. Naar het oordeel van de rechtbank maakt belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur evenwel niet aannemelijk dat hij in het onderhavige jaar, naast de werkzaamheden voor zijn werkgever in Nederland, tevens werkzaamheden in België heeft verricht. Gelet hierop ontvalt de feitelijke grondslag aan belanghebbendes stelling dat de onder 2.3 genoemde bepaling op hem van toepassing is.
2.5. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank
ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en drs. J.M.C. Hendriks, griffier, ondertekend.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2011.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 17 maart 2011
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.