3.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.
A. [eiser] – geboren op [datum] – heeft sinds 1 maart 1977 steeds binnen de ‘de Rabobankorganisatie’ voor verschillende entiteiten gewerkt;
B. [eiser] is op 1 augustus 1999 bij (de rechtsvoorgangster van) Rabobank De Langstraat in dienst getreden;
C. [eiser] is laatstelijk in dienst geweest in de functie van bedrijfsadviseur B tegen een salaris van € 4.364,00 exclusief 8% vakantiegeld, 13e maand en bonusadviesregeling/variabel inkomen;
D. [eiser] is op 24 september 2007 uitgevallen, wegens een ziekte (slaapapneu) die reeds in 2005 bij [eiser] is gediagnosticeerd;
E. (Mede) in het kader van de re-integratie heeft [eiser] – onder voorwaarden – een stap terug gedaan naar de functie van bedrijfsadviseur B, is er een probleemanalyse opgesteld, is er diverse malen een plan van aanpak gemaakt voor de (stapsgewijze) hervatting van de werkzaamheden, is er op kosten van Rabobank De Langstraat een externe jobcoach voor [eiser] aangesteld, zijn er drie bedrijfsartsen ingeschakeld, zijn er re-integratieverslagen en rapportages opgesteld, is er een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld, heeft UWV een deskundigenoordeel gegeven, heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden en is de re-integratie van [eiser] (tussentijds) geëvalueerd door onder meer [eiser], zijn leidinggevenden, medewerkers HRM en een arbeidsdeskundige van Rabobank Nederland;
F. Rabobank De Langstraat heeft zich bij het verloop van het re-integratieraject gericht naar de adviezen van de bedrijfsarts. [eiser] heeft nimmer een deskundigenoordeel van UWV aangevraagd, hoewel hij over die mogelijkheid wel geïnformeerd is;
G. In een door Rabobank De Langstraat aangevraagd deskundigenoordeel van UWV van 24 april 2009 heeft de arbeidsdeskundige onder andere het volgende geoordeeld:
“(…)
Er is meer inzicht in het oordeel van de Bedrijfsarts, doch een functionele mogelijkheden lijst werd niet toegevoegd. Daarnaast is er geen visie van de bedrijfsarts ten aanzien van eventuele urenuitbreiding naar de toekomst. Al met al doet zich nu de vraag voor of werknemer er in zal slagen de functie van bedrijvenadviseur volledig te kunnen uitoefenen. Ook doet zich de vraag voor waarom het tweede spoor niet is ingezet.
Op grond van de huidige ontoereikende informatie kom ik tot de conclusie dat er sprake is van een klachtencontingent handelen in plaats van tijdcontingent. Op grond van de huidige gegevens zijn onvoldoende re-integratie inspanningen door de werkgever gepleegd.
(…)”
H. In een arbeidsdeskundig onderzoek in bezwaar (in het kader van de WIA-beslissing) van 22 juni 2010 (bevestigd in een beslissing op bezwaar van UWV van 11 augustus 2010 in het kader van de WIA-uitkering) zijn de re-integratie-inspanningen van Rabobank De Langstraat op 9 september 2009 (datum toetsing re-integratieverslag) als onvoldoende aangemerkt. Daarbij is ondermeer overwogen:
“(…)
Het niet tijdig inzetten van een arbeidsdeskundig onderzoek, ondanks advies van de bedrijfsarts, heeft ertoe geleid dat er mogelijk te lang (vanaf oktober 2008) is ingezet op re-integratie in een niet passende functie, waardoor mogelijk re-integratiekansen zijn gemist in spoor 1 en 2.
(…)
Op datum toetsing re-integratieverslag kan worden vastgesteld dat de bedrijfsarts heeft ingezet op het vaststellen van een tijdcontingent opbouwschema naar aanleiding van het deskundigenoordeel. Echter er is op dat moment nog steeds niet inzichtelijk of de aangeboden functie van bedrijvenadviseur passend te achten is in relatie tot de beperkingen (…)
Ondanks de signalen dat het werk te zwaar zou zijn, heeft de werkgever het advies van de bedrijfsarts opgevolgd inzake het tijdcontingent opbouwschema. Hierbij is voorbijgegaan aan een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van [eiser] in relatie tot de belasting in de functie van bedrijvenadviseur.
(…)”;
I. Op 1 juni 2010 heeft het UWV WERKbedrijf te Eindhoven aan Rabobank De Langstraat toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [eiser] op te zeggen vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Bij brief van 8 juni 2010 heeft Rabobank De Langstraat de arbeidsverhouding met [eiser] opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 5 maanden tegen 30 november 2010. Het dienstverband tussen partijen is derhalve geëindigd met ingang van 1 december 2010;
J. [eiser] ontvangt momenteel maandelijks een WGA-uitkering van € 2.662,88 bruto exclusief 8% vakantiegeld, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 67,90%;
K. [eiser] heeft ervoor gekozen om – vooralsnog – geen WW-uitkering aan te vragen (voor het deel dat hij arbeidsgeschikt is).
L. [eiser] heeft bezwaar en beroep ingesteld tegen het oordeel van het UWV over de omvang van zijn arbeidsongeschiktheid, doch dit bezwaar en beroep zijn ongegrond verklaard. Tegen de beslissing van de rechtbank is geen hoger beroep ingesteld;
M. Rabobank De Langstraat heeft geen financiële voorziening aangeboden om de gevolgen van het ontslag te verzachten.