ECLI:NL:RBBRE:2012:BV2301

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
31 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
800529-11
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Tempelaar
  • Van Gessel
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 14d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens verkrachting en diefstal van ex-partner in eigen woning

De rechtbank Breda heeft op 31 januari 2012 geoordeeld dat verdachte zijn ex-vriendin op 16 mei 2011 in haar eigen woning te Breda heeft verkracht. De bewezenverklaring is gebaseerd op de aangifte van het slachtoffer, het sporenonderzoek, verklaringen van verdachte en getuigen, en forensisch bewijs waaronder de aanwezigheid van yoghurt op kleding van verdachte, wat het scenario van het slachtoffer ondersteunt.

Verdachte heeft ontkend en stelde dat het seksuele contact vrijwillig was. De verdediging voerde aan dat de verklaring van het slachtoffer inconsistenties bevatte en onvoldoende objectief bewijs was geleverd, en betwistte de interpretatie van het forensisch bewijs. De rechtbank verwierp deze verweren en achtte de verklaring van het slachtoffer betrouwbaar, mede gezien de context van een beëindigde relatie en eerdere incidenten.

Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor diefstal van de tas van het slachtoffer, die zonder toestemming werd meegenomen en later in zijn auto werd aangetroffen. Een derde tenlastegelegd feit, diefstal van een tas van een ander persoon, werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs.

De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht en een contactverbod met het slachtoffer. Tevens werd een schadevergoeding van €2.912,96 toegewezen aan het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, wegens verkrachting en diefstal van zijn ex-partner.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector strafrecht
parketnummer: 800529-11
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 31 januari 2012
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [datum en plaats]
wonende te [adres]
thans gedetineerd in PPC Vught
raadslieden mr. Knoops en mr. Dijkstra, beiden advocaat te Amsterdam
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 17 januari 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Kooij, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1
- [slachtoffer] heeft verkracht;
Feit 2
- de tas van [slachtoffer] heeft gestolen;
Feit 3
- de tas van [slachtoffer 2] heeft gestolen.
3 De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1. Zij baseert zich daarbij op de aangifte, de verklaring van verdachte bij de rechter-commissaris, het NFI rapport van 25 augustus 2011, het proces-verbaal sporenonderzoek met de daarbij behorende foto’s en de verklaring van getuige [slachtoffer] De officier van justitie heeft verwezen naar jurisprudentie van de Hoge Raad, onder meer van 30 juni 2009, aangaande de unus testis nullus testis-regel. Hierbij hanteert de Hoge Raad een nieuw criterium, namelijk het vereiste dat de tweede bewijsgrond voldoende steun geeft aan de verklaring van de getuige. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat hier in casu aan is voldaan en voert daartoe het volgende aan.
De aangifte wordt voor een belangrijk deel bevestigd door de verklaring van verdachte ten overstaan van de rechter-commissaris. Hij geeft aan dat hij op 16 mei 2011 op het bed in de woning van aangeefster orale en vaginale seks met haar heeft gehad. Dit wordt bevestigd in de resultaten van het onderzoek naar biologische sporen door het NFI. Het door aangeefster geschetste scenario wordt ondersteund door een aantal andere bewijsmiddelen. Zo is bij het sporenonderzoek een geopend pak yoghurt op de overloop aangetroffen, waarvan de inhoud deels op de vloer lag. Gedeeltelijk in de yoghurt lag een spijkerbroek, deels binnenstebuiten gekeerd, met daarin een slipje. Op de vloer waren diverse veegsporen zichtbaar, kennelijk veroorzaakt door schuiven en/of slepen door de yoghurt. In de woning van verdachte zijn kleding en schoenen in beslag genomen, waarop een witte substantie werd waargenomen. Naar aanleiding van deze bevindingen, in onderlinge samenhang en verband bezien, gaat het Openbaar Ministerie ervan uit dat de witte substantie op de kleding van verdachte yoghurt betreft, die tijdens de worsteling op de overloop – waarover aangeefster verklaart – op zijn kleding en schoenen terecht is gekomen.
Tijdens het zedenonderzoek is zowel bij aangeefster als bij verdachte letsel waargenomen, waarvan foto’s zijn opgenomen in het proces-verbaal. Dit letsel past bij de lezing van aangeefster omtrent het door verdachte toegepaste geweld.
Al deze bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, vormen voldoende wettig bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit 1.
Op basis van diezelfde bewijsmiddelen heeft het Openbaar Ministerie eveneens de overtuiging dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van aangeefster. Zij acht de verklaring van verdachte dat er sprake is geweest van vrijwillige seks, volstrekt onaannemelijk in het licht van de eerdere incidenten, de relatiebreuk die daarop volgde en de vrees die aangeefster klaarblijkelijk voor verdachte voelde.
De officier van justitie ziet een motief in de psychische gesteldheid van verdachte op 16 mei 2011 tengevolge van de eerdere incidenten, de aanhouding, de opname binnen de GGZ, vervolgens de ontsnapping en het gegeven dat hij enige tijd daarvoor op eigen initiatief met de benodigde medicatie was gestopt. Het heeft er alle schijn van dat hij door het stoppen met de medicatie, onder invloed van de bipolaire stoornis die vermoedelijk aanwezig was, zodanig seksueel ontremd is geraakt dat hij tot zijn daad is kunnen komen. In het hele dossier zit geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat aangeefster direct na haar contact met verdachte de politie zou bellen om een valse aangifte van een dergelijk gruwelijk delict te doen.
De officier van justitie acht feit 2 eveneens wettig en overtuigend bewezen op grond van de aangifte, het aantreffen van de tas in de auto van verdachte en de verklaring van verdachte dat hij de tas heeft weggenomen om de GSM van aangeefster te controleren. Verdachte wist toen hij de tas meenam, dat hij dit deed zonder toestemming van aangeefster zodat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aanwezig was. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt immers dat ook tijdelijk gebruik van een weggenomen goed het vereiste oogmerk kan opleveren. Daarbij komt dat verdachte niet alleen de GSM, maar de gehele tas heeft weggenomen, welke tas later door hem werd achtergelaten in de kofferbak van zijn auto in Breda, terwijl hij zelf naar Den Haag was gegaan. Hieruit blijkt dat hij als heer en meester over de tas kon beschikken, hetgeen voldoende bewijs oplevert voor het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
Ten aanzien van feit 3 vordert de officier van justitie vrijspraak. Zij meent dat hiervoor onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank voor geen van de feiten tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman heeft hiertoe – zakelijk weergegeven en samengevat – het volgende aangevoerd.
Feit 1
De verdediging stelt zich op het standpunt dat er geen enkele objectieve verankering is voor de beweringen van aangeefster [slachtoffer], laat staan een tweede bewijsgrond, welke mogelijk steun biedt aan de beschuldiging. Alles in de zaak is een afgeleide van slechts één verklaring, die onvoldoende consistent, geloofwaardig en redengevend is.
Verklaring aangeefster
De verklaring van aangeefster bevat inconsistenties en onlogische beweringen met betrekking tot:
• de wijze waarop aangeefster in de slaapkamer terecht is gekomen;
• of en hoe er een handgemeen heeft plaatsgevonden.Uit het proces-verbaal van de doorzoeking blijkt immers dat de woning een geordende indruk maakte. Dit vormt een belangrijke objectieve contra-indicatie;
• welke kledingstukken zij op welk moment en hoe heeft uitgetrokken; de raadsman wijst hierbij op de verklaringen over de jas en de onderbroek;
• de yoghurt; aangeefster geeft aan dat deze op haar rug zou zijn gesmeerd, echter, noch op haar bovenkleding, noch op het dekbed zijn yoghurtsporen aangetroffen;
• de aanwezigheid van de twee sleutelbossen;
• het zich niet verweren op het bed.
Op grond van al deze inconsistenties kan aan het relaas van aangeefster geen waarde worden toegekend.
Ontbreken ondersteunend bewijs
De raadsman heeft voorts betoogd dat er geen ondersteunend bewijs is dat aangeefster zou hebben gegild, nu uit buurtonderzoek is gebleken dat niemand dit heeft gehoord.
De verklaring van de zus van aangeefster, getuige [getuige] is van geen enkele waarde en kan niet worden gebruikt voor het bewijs. Behalve dat deze bijna 4 maanden na het feit is opgenomen, is hetgeen zij heeft waargenomen terug te voeren op de verklaring van aangeefster. Aangeefster zou haar kort na het incident hebben gebeld maar heeft daarbij niet verteld dat zij is verkracht. Wel bezigde zij volgens haar zus voor haar vreemd taalgebruik door te hebben gezegd: “[voornaam verdachte] heeft mij geneukt.” Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan waarneming omtrent emoties van getuigen geen betekenis kan worden toegekend voor het voldoen aan de minimumbewijsregel.
Uit de mailwisseling tussen getuige [getuige] en een verbalisant blijkt dat zij elkaar kennen. Dit, en het feit dat deze getuige officier van justitie in Breda is, verklaart wellicht waarom een de auditu verklaring van haar wel wordt opgenomen, terwijl het verzoek van de verdediging om een verklaring van de vader van verdachte te laten opnemen, is geweigerd. Verdachte en getuige [getuige] hadden bovendien geen goede verstandhouding. Dit alles maakt dat getuige [getuige] niet als objectief kan worden beschouwd en dat deze verklaring niet kan bijdragen aan het bewijs;
Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat door de bewoordingen in de tenlastelegging sprake is van een cumulatieve tenlastelegging. Hij stelt hiertoe dat “wanneer de verkrachting niet bewezen kan worden, ook niet kan worden toegekomen aan de redenering dat de vermeende bedreiging met geweld de beweerdelijke verkrachting zou moeten uitmaken. Dit geldt ook omgekeerd.” De vermeende bedreiging met geweld wordt alleen op de verklaring van aangeefster gebaseerd. Dit betekent dat hiervoor, op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad, evenmin een bewezenverklaring kan volgen.
Jurisprudentie Hoge Raad
Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de raadsman gewezen op de volgende jurisprudentie;
• Hoge Raad 30 juni 2009, NJ 495 en 496
• Hoge raad 13 juli 2011, NJ 2010, 515
• Hoge Raad 26 januari 2010, NJ 2010, 512
• Hof Leeuwarden 1 maart 2010, LJN BL6166
• Hof Arnhem 2 februari 2011, nieuwsbrief strafrecht nr. 214
Op grond van voornoemde jurisprudentie komt de raadsman tot de conclusie dat met de thans gepresenteerde bewijsmiddelen niet is voldaan aan de nieuwe door de Hoge Raad uitgezette lijn dat de tweede bewijsgrond voldoende steun dient te geven aan de verklaring van de aangeefster.
Forensisch-technisch onderzoek
Het NFI rapport van dr. [naam deskundige] van 25 augustus 2010 en de aanvullende rapportage, bevatten contra-indicaties voor de juistheid van de aangifte. De raadsman wijst hierbij op het volgende:
• Het feit dat op verschillende plaatsen DNA mengprofielen zijn aangetroffen is niet verwonderlijk nu beiden erkennen dat er seksueel contact heeft plaatsgevonden. De verdediging heeft met het stellen van de nadere vragen aan deskundige dr. [naam deskundige] aangetoond dat het proces-verbaal, waarin wordt gesuggereerd dat er onder de nagels van diverse vingers van [slachtoffer] DNA van verdachte is aangetroffen, enige nuancering behoeft;
• Dr. [naam deskundige] geeft in zijn rapport aan dat sprake is van niet optimale betrouwbaarheid. Dit geldt voor maar liefst 3 van de 4 sporen. Een evaluatie van de wetenschappelijke bewijswaarde van de match met het DNA van verdachte is ten aanzien van die mengprofielen niet mogelijk.
De verdediging heeft de antwoorden van dr. [naam deskundige] voorgelegd aan DNA-expert en forensisch adviseur dr. [naam deskundige]. Deze heeft geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek van de bemonstering van de nagels van het slachtoffer niet direct duiden op een zeer intensief contact.
De verdediging concludeert uit het bovenstaande dat hetgeen aangeefster heeft verklaard, namelijk dat zij heeft geprobeerd zich te verweren door te krabben, slaan en aan de haren te trekken, volgens het forensisch bewijs niet zo kan zijn gegaan. Overigens zou er in dat geval ook meer letsel zijn aangetroffen bij verdachte.
Het onderzoek aan het speeksel en bloed biedt evenmin ondersteuning voor het scenario van het Openbaar Ministerie.
De foto’s die in het aanvullend FTO-onderzoek zijn opgenomen, zijn niet voorzien van een datum. Reeds hierom kan ook omtrent de (yoghurt)sporen geen uitspraak over de toedracht worden gedaan. Het onderzoek stelt dat niet valt uit te sluiten dat de witte substantie op de kleding en schoenen van verdachte yoghurt betreft. Het is daarmee niet komen vast te staan. Er is geen yoghurt op het hoofd, de rug en de kleding van aangeefster aangetroffen. De verdediging meent dat ook hieromtrent geen steunbewijs, doch slechts speculaties resteren.
Ten aanzien van het letsel van beide betrokkenen valt uit het procesdossier niet af te leiden dat de oorzaak van dit letsel verband zou houden met het tenlastegelegde feit. Het letsel is niet onderzocht door een forensisch arts of letselschadedeskundige. Er is geen enkele deskundige geweest die naar de datering van het letsel heeft gekeken.
Dr. [naam deskundige], voormalig NFI patholoog-anatoom, heeft ten aanzien van het letsel vastgesteld dat ook andere ontstaansmechanismen niet kunnen worden uitgesloten. Hij heeft geconcludeerd dat op geen van de afbeeldingen overtuigend sprake is van letsel dat kan worden verwacht indien sprake zou zijn geweest van een gewelddadig handgemeen.
Ook het letsel bij verdachte is niet door een deskundige onderzocht.
De raadsman concludeert dat de resultaten van het forensisch technisch onderzoek niet ondersteunend zijn voor de beweringen van de aangeefster.
Alternatieve scenario’s
Vervolgens heeft de raadsman gewezen op mogelijke alternatieve scenario’s met betrekking tot de volgende punten, welke scenario’s niet zijn onderzocht door het Openbaar Ministerie:
• Er zijn concrete aanwijzingen dat het contact op vrijwillige basis heeft plaatsgevonden. De relatie tussen beiden was te kenmerken als een knipperlicht-relatie. De relatie tussen beiden is eerder verbroken geweest, terwijl ze gedurende deze periode op vrijwillige basis seks met elkaar hadden.
Verdachte heeft verklaard dat de relatie met name was gebaseerd op sport en seks. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [vader van verdachte]. De aard van deze relatie wordt niet door aangeefster betwist.
• Het feit dat aangeefster zelf haar jas en ondergoed uittrok, duidt op bewegingsvrijheid. Daarbij heeft zij zich op verschillende momenten kunnen distantiëren en heeft zij verdachte zelf meegenomen haar woning in. Van enig passief verzet ten tijde van het seksueel contact is niet gebleken. Het is de vraag waaruit verdachte heeft mogen opmaken dat eventuele handelingen niet vrijwillig zouden zijn ondergaan.
• Het is aannemelijk dat de letsels bij aangeefster zijn ontstaan door andere oorzaken. Aangeefster heeft verklaard dat zij deel uitmaakt van een hockeyteam. Zij heeft ter zitting onder ede verklaard dat zij alle zes de wedstrijden van het seizoen heeft gespeeld, waaronder een wedstrijd op 15 mei 2011. Dit maakt het zeer waarschijnlijk dat de letsels daarbij zijn opgelopen.
• Het yoghurtsleepspoor kan ook zijn ontstaan doordat personen er doorheen hebben gelopen of vrijwillig over de grond zijn gerold.
Aangeefster heeft in het verleden een aantal opmerkelijke uitlatingen gedaan die wijzen op rancune aan de zijde van aangeefster. Niet uitgesloten kan worden dat dit heeft geleid tot een onjuiste aangifte. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd:
• De verdediging wijst in dit verband op de verklaring van verdachte van 12 oktober 2011, volgens welke aangeefster hem in het verleden had onthuld dat zij het met een collega-jurist eens was dat wanneer je een man goed in de problemen wilde laten komen, je aangifte tegen hem moest doen van verkrachting.
• Op de vraag aan aangeefster hoe de ouders van cliënt reageerden op de aangifte heeft zij geantwoord: “Zij boden hun excuses aan en proberen ook om [voornaam verdachte] gedwongen opgenomen te krijgen.” De verdediging leidt hieruit af dat de aangifte wellicht is bedoeld om hem in het behandelcircuit te krijgen. Dit zou ook blijken uit de uitlatingen van aangeefster aan mevrouw [naam moeder van verdachte] van 22 december 2011. Aan het verzoek van de verdediging aan het Openbaar Ministerie om [naam moeder van verdachte] nader te horen, is niet voldaan.
• Aangeefster [slachtoffer] heeft kort voor het incident een miskraam gehad. Verdachte heeft het gevoel gekregen dat [slachtoffer] hem die miskraam kwalijk neemt. Het is aannemelijk dat deze tragische gebeurtenis als een rode draad door de aangifte loopt.
Concluderend zijn er mogelijk andere motieven geweest voor de aangifte dan de vermeende verkrachting zelf.
De raadsman verwijst naar de conclusie van de Advocaat-Generaal in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 26 januari 2010, waarin hij overweegt dat de mate van ondersteuning die een ander bewijsmiddel aan een getuigenverklaring kan bieden wordt bepaald door zijn bewijswaarde. Het aantreffen van een objectief gegeven dat strookt met de lezing van de aangever moet tevens de lezing van verdachte kunnen weerleggen doordat dit objectief gegeven zich bij de juistheid van zijn lezing zelden of nooit zal voordoen. Niettemin is de plausibiliteit van een scenario in verhouding tot andere scenario’s van belang voor de vraag hoeveel steunbewijs nodig is om de bewijsmotivering als toereikend aan te merken.
In de onderhavige zaak zijn er in de verklaring van aangeefster een groot aantal inconsistenties en onduidelijkheden. Het gestelde aanvullende bewijs is dermate zwak dat dit geen bewijswaarde heeft en onvoldoende objectieve verankering biedt aan de verklaring van aangeefster. Bovendien weerlegt het de vier door de verdediging geschetste alternatieve scenario’s niet.
De verdediging verzoekt derhalve vrijspraak voor feit 1.
Feit 2
Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er geen veroordeling kan volgen in verband met het ontbreken van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
Verdachte heeft de tas slechts meegenomen omdat hij in de telefoon van aangeefster wilde kijken. Dit blijkt ook uit hetgeen hierover in de reclasseringsrapportage is opgenomen. Hij heeft niet de intentie gehad om als ‘heer en meester’ over de tas te beschikken. Het feit dat de sleutels, waarvan de aangeefster beweerde dat ze in de tas zaten, zijn aangetroffen in de broek van aangeefster, vormt een contra-indicatie voor de diefstal.
Concluderend kan ook dit feit niet worden bewezen, zodat ook hiervoor vrijspraak moet volgen.
Feit 3
De verdediging is met de officier van justitie van mening dat er onvoldoende bewijs is voor feit 3, zodat ook verdachte ook hiervan moet worden vrijgesproken.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
[slachtoffer] heeft in haar aangifte aangegeven dat zij op 16 mei 2011 rond 6 uur ‘s ochtends naar haar huis aan de [adres] fietste. Ze had bij haar zus geslapen en wilde zich thuis douchen en omkleden alvorens ze naar haar werk ging. Toen zij aan kwam fietsen zag zij bij haar woning haar ex-vriend [voornaam verdachte] [achternaam verdachte] verdachte, staan. Ze hebben buiten een kort gesprek gevoerd, waarna ze naar binnen zijn gegaan. Op de slaapkamer van [slachtoffer], op haar bed, hebben zij toen seks gehad.
[slachtoffer] heeft direct na deze gebeurtenis aangifte van verkrachting gedaan. Zij heeft verklaard dat ze yoghurt voor verdachte wilde gaan halen, omdat hij zei dat hij honger had. Verdachte is hierbij achter haar aan naar binnen gelopen. Toen zij met de pakken yoghurt uit de keuken kwam, heeft hij haar vastgepakt en tegen de grond geduwd, waarbij hij haar toevoegde dat hij haar keihard in haar kont ging neuken. Vervolgens maakte hij één van de pakken yoghurt open en smeerde dit uit over haar rug. Verdachte hield haar tegen de grond gedrukt. Hij lag met zijn hele lijf op haar. [slachtoffer] is gaan schreeuwen, krabben en slaan, maar kreeg van verdachte te horen dat ze stil moest zijn omdat hij haar anders zou vermoorden. Verdachte heeft haar op het bed gegooid, heeft zichzelf helemaal uitgekleed en is naakt naast haar op het bed gaan liggen. Vervolgens heeft hij haar vaginaal gelikt en met zijn penis gepenetreerd. Bij het verlaten van haar huis heeft hij de handtas van [slachtoffer] meegenomen.
Verdachte heeft bij de politie geen verklaring af willen leggen.
Bij de rechter-commissaris heeft verdachte op 19 mei 2011 verklaard dat hij op 16 mei 2011 inderdaad seks met [slachtoffer] heeft gehad, zowel oraal als vaginaal, maar dat dit in zijn beleving ook van haar kant op vrijwillige basis was. Hij weet niets van yoghurt, zo verklaart hij. Ter zitting van de rechtbank heeft verdachte vervolgens weer gezwegen over dit aan hem tenlastegelegde feit.
Zowel door de officier van justitie als door de raadsman is uitvoerig verwezen naar jurisprudentie, onder meer van de Hoge Raad, ten aanzien van de ‘unus testis nullus testis’ regel van artikel 342, tweede lid Sv. Op basis van de thans geldende jurisprudentie hanteert de rechtbank bij de beoordeling van het bewijs de toets of is voldaan aan het vereiste dat de tweede bewijsgrond voldoende steun geeft aan de aangifte, waarbij er geen sprake mag zijn van een te ver verwijderd verband. De rechtbank dient in concreto te bezien of de verklaring van aangeefster voldoende bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Zij overweegt hiertoe als volgt.
Op 16 mei 2011 is er door de politie een sporenonderzoek gedaan in de woning van [slachtoffer] . Gerelateerd wordt dat op de overloop naast de slaapkamer een geopend pak yoghurt is aangetroffen. Op de vloer bij de overgang van overloop naar slaapkamer waren diverse veegsporen zichtbaar, welke waren veroorzaakt door schuiven en/of slepen door de yoghurt. Hierin waren afdrukken van textiel zichtbaar. Uit deze sporen kon worden opgemaakt dat op de vloer iemand had gelegen en was verschoven.
Door de Unit Forensisch Technisch onderzoek werd de kleding van verdachte onderzocht. Op de jas van verdachte werd, verspreid over het voorpand en aan de uiteinden van beide mouwen, een witte substantie aangetroffen. Ook op het voorpand van de spijkerbroek werd een onbekende witte substantie aangetroffen, gelijkend aan de substantie op de jas. Gezien de verschijningsvorm van deze substantie moet deze vloeibaar of enigszins vloeibaar zijn geweest op het moment dat deze op de broek terecht kwam. Op de sportschoenen van verdachte werd onder de zool en op de zoolrand aan de binnenzijde eveneens een witte substantie aangetroffen, gelijksoortig aan de substantie die werd aangetroffen op de broek en de jas.
De rechtbank is van oordeel dat het op grond van bovenstaande sporenonderzoeken zeer aannemelijk is dat de witte substantie op de kleding van verdachte, hoewel die niet verder is onderzocht, yoghurt betreft. De yoghurt is aangetroffen op het voorpand van de jas van verdachte en op het voorpand van zijn spijkerbroek. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster dat verdachte aangeefster, na haar te hebben ingesmeerd met yoghurt, tegen de grond heeft gedrukt en op haar heeft gelegen. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij niets weet van yoghurt en heeft verder geen enkele verklaring willen geven die de aanwezigheid van bovenstaande sporen verklaart.
Uit de foto’s die van verdachte zijn genomen na het incident blijkt dat hij onder zijn linkeroog een kraswond heeft. Dit ondersteunt de verklaring van aangeefster dat zij zich heeft verweerd door verdachte te krabben. In een latere verklaring van 20 december 2011, door zijn raadsman ingebracht bij brief van 10 januari 2012, heeft verdachte aangegeven dat de schrammen zijn ontstaan door snoeiwerkzaamheden. Deze verklaring van verdachte acht de rechtbank niet geloofwaardig, nu hij deze pas zeven maanden na het incident heeft gegeven. De verdediging heeft voorts gesteld dat het forensisch bewijs uitsluit dat aangeefster verdachte heeft gekrabt of aan de haren heeft getrokken. Daarbij heeft de verdediging gewezen op de conclusie van dr. [naam deskundige] dat de resultaten van het onderzoek van de bemonstering van de nagels van het slachtoffer niet direct duiden op een zeer intensief contact. Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze conclusie echter niet uit dat verdachte desondanks door aangeefster is gekrabt of aan de haren is getrokken.
De rechtbank stelt eveneens vast dat aangeefster [slachtoffer] letsel had op de rug en de knie. Op de zitting van 17 januari 2012 heeft [slachtoffer] onder ede verklaard dat zij voorafgaand aan de datum van 16 mei 2011 weliswaar hockeywedstrijden heeft gespeeld, doch dat zij hierbij niet heel hard op de knieën of rug is gevallen, waardoor dit letsel zou kunnen worden verklaard. Het letsel is daarentegen wel passend bij de gang van zaken zoals die door [slachtoffer] in haar aangifte wordt beschreven, terwijl een andere verklaring voor het ontstaan van dit letsel niet aannemelijk is geworden.
De rechtbank is van oordeel dat de bovengenoemde bewijsmiddelen voldoende steun geven aan de verklaring van aangeefster.
Daarnaast bevinden zich diverse aanvullende stukken in het dossier die weliswaar niet voor het bewijs gebezigd worden, maar die bijdragen aan de overtuiging van de rechtbank dat de aangifte van [slachtoffer] betrouwbaar is.
De rechtbank wijst hierbij allereerst op de gehele context van het gebeuren. Verdachte en [slachtoffer] hebben een langdurige relatie gehad, welke half april 2011 werd beëindigd. [slachtoffer] zag hierin aanleiding om de sloten van haar voordeur te vervangen. Op 16 april 2011 ’s nachts is verdachte bij [slachtoffer] op haar balkon geklommen. [slachtoffer] was dermate bang dat zij haar zwagers en de politie heeft gebeld. De politie is gekomen en trof verdachte ter plekke aan. Na dit voorval heeft [slachtoffer] uit angst voor verdachte bij haar zus geslapen, zo ook de nacht van 15 op 16 mei 2011. Dit alles past binnen de context van de aangifte en sterkt de rechtbank in haar overtuiging dat er tussen beiden op 16 mei 2011 geen vrijwillige seks heeft plaatsgevonden.
Verdachte heeft geen enkele openheid van zaken willen geven. Ten aanzien van zijn aanwezigheid bij het huis van [slachtoffer] op dat vroege tijdstip, heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij die nacht vanuit zijn woonplaats naar Breda was gereden en bij [slachtoffer] langsreed om te kijken of ze thuis was. In een latere verklaring van 20 december 2011, door zijn raadsman ingebracht bij brief van 10 januari 2012, geeft verdachte op dit punt aan dat hij [slachtoffer] niet heeft opgewacht, maar dat hij toevallig net ter plaatse was op het moment dat zij aan kwam fietsen. Gelet op het tijdstip waarop het één en ander zich heeft afgespeeld – rond 6 uur ’s ochtends – acht de rechtbank dit laatste niet geloofwaardig.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangifte dermate veel inconsistenties bevat dat hieraan geen bewijswaarde kan worden toegekend. Met de raadsman heeft de rechtbank geconstateerd dat er sprake is van enkele inconsistenties in de aangifte, waaronder het moment en de plaats waar het ondergoed van aangeefster is uitgetrokken. Deze inconsistenties weerspreken echter niet de door de rechtbank vastgestelde gang van zaken waar het gaat om de bewezenverklaarde handelingen. Het feit dat [slachtoffer] aangeeft dat zij sommige dingen niet meer precies weet, is in het licht van de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden niet onaannemelijk. Deze inconsistenties leiden dan ook niet tot de conclusie dat de rechtbank de aangifte onbetrouwbaar acht.
De alternatieve scenario’s, zoals aangedragen door de verdediging, worden weerlegd door de bewijsmiddelen. De mogelijke motieven voor het doen van een valse aangifte doen niet terzake, nu de rechtbank uitgaat van een betrouwbare en terecht gedane aangifte. Nu de rechtbank uitgaat van de juistheid van de aangifte, wordt daarmee voorbij gegaan aan genoemde alternatieve scenario’s.
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de verkrachting van [slachtoffer].
Feit 2
Bij het doen van de aangifte van feit 1, heeft aangeefster eveneens aangifte gedaan van diefstal van haar tas. Verdachte heeft bij de rechter-commissaris erkend dat hij de tas van [slachtoffer] heeft meegenomen. Hij verklaart dat hij het mobieltje van aangeefster, dat in de tas zat, wilde bekijken om te zien welke contacten zij had.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van diefstal van de tas omdat het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt.
De rechtbank volgt dit verweer niet. Verdachte nam de tas van [slachtoffer] mee zonder dat hij daar haar toestemming voor had. Deze tas is later door verbalisanten aangetroffen in de afgesloten kofferbak van de auto van verdachte die in Breda stond. Verdachte kon aldus als heer en meester over de tas beschikken. Om welke reden hij de tas meenam doet aan het vorenoverwogene niet af. De rechtbank acht feit 2 eveneens wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
De rechtbank is evenals de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat er onvoldoende bewijs is voor de diefstal die is tenlastegelegd onder feit 3. Zij zal verdachte hiervan vrijspreken.
4.4 De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1.
op 16 mei 2011 te Breda door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en gehouden en de vagina van die [slachtoffer] gelikt en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en op de grond heeft geduwd en
- die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je keihard in
je kont neuken" en "Stil zijn, anders vermoord ik je", en
- die [slachtoffer] op bed heeft gegooid en naakt op die [slachtoffer] is gaan liggen
En aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
2.
op 16 mei 2011 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een tas (met inhoud), toebehorende aan [slachtoffer].
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
6.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van
40 maanden, met aftrek van het voorarrest. Van deze gevangenisstraf dient 10 maanden voorwaardelijk te worden opgelegd, met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden een meldingsplicht bij de reclassering, een verplicht reclasseringstoezicht, een ambulante behandelverplichting bij de GGZ of een andere forensisch-psychiatrische instelling en een contactverbod met aangeefster [slachtoffer] (zowel middellijk als onmiddellijk).
6.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging meent primair dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.
Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat, gelet op de inhoud van de reclasseringsrapportage, een straf gelijk aan het voorarrest voldoende is.
6.3 Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkrachting van zijn ex-partner, in haar eigen woning. Hierbij heeft hij op ernstige wijze haar lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer geschonden. Hij heeft hierbij kennelijk enkel rekening gehouden met zijn eigen behoeftebevrediging, en geen acht geslagen op de angst en pijn van aangeefster. Naast lichamelijke pijn heeft dit ook psychisch leed met zich meegebracht. Dit blijkt onder meer uit de slachtofferverklaring die [slachtoffer] ter zitting heeft voorgelezen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zeer ernstig misdrijf dat een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigt. Daarbij gaat zij uit van de oriëntatiepunten van het LOVS, waarbij zij enerzijds rekening houdt met het blanco strafblad van verdachte en anderzijds met het feit dat verdachte ook een diefstal heeft gepleegd.
Verdachte heeft niet willen meewerken aan onderzoeken door een psychiater. Psychiater [naam deskundige] heeft in de rapportage van 21 augustus 2011 aangegeven dat uit de beschikbare informatie een beeld naar voren komt van een bipolaire I stoornis. Continuering van adequate psychiatrische zorg en behandeling lijkt noodzakelijk om de kans op een psychiatrische decompensatie en daarmee eventueel delictgedrag in de toekomst, bij de vermoedelijk aanwezige bipolaire I stoornis, zo klein mogelijk te maken. Gezien de ambivalente houding van betrokkene tot de psychiatrie, rijst de vraag of een dergelijk traject op vrijwillige basis een voldoende kans van slagen heeft, waarbij een juridisch kader volgens de psychiater een stok achter de deur zou kunnen vormen.
Bij de reclassering heeft verdachte wel gesproken. In het advies van 22 september 2011 geeft de rapporteur aan dat hij meent dat, wanneer verdachte niet de juiste hulp krijgt voor zijn psychische problemen, de kans groot is dat hij probleemgedrag gaat vertonen. De rapporteur schat in dat er een hoog risico is op het onttrekken aan de voorwaarden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op het bovenstaande, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden noodzakelijk is. De rechtbank legt een deel daarvan, te weten zes maanden, voorwaardelijk op. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Deze voorwaardelijke straf maakt tevens een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. Bij deze voorwaardelijke straf legt de rechtbank aan verdachte de volgende bijzondere voorwaarden op, namelijk toezicht bij de Reclassering, een meldingsgebod bij de Reclassering, een ambulante behandeling bij een forensisch-psychiatrische instelling alsmede een contactverbod met aangeefster [slachtoffer].
De rechtbank legt hierbij een proeftijd op van twee jaar. Zij ziet in hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van de voor een proeftijd gebruikelijke termijn van twee jaar.
7 De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 3.504, 96 voor feit 1 en 2.
De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 2.912,96 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten, waarvan € 12,96 ter zake van materiële schade (reiskosten) en € 2.900,- ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.
Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.
Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Ten aanzien van de door de benadeelde partij opgevoerde overige materiële schade ten bedrage van in totaal € 592,- in verband met het vervangen en monteren van sloten, is de rechtbank van oordeel dat hier sprake is van een te ver verwijderd verband. Zij zal de vordering voor dit gedeelte afwijzen.
8 Het beslag
8.1 De teruggave aan verdachte
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien de voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.
8.2 De teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan [slachtoffer], omdat deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.
8.3 De bewaring ten behoeve van de rechthebbende
De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen. Deze voorwerpen dienen bewaard te worden in het kader van het strafvorderlijk belang. Zij zullen niet eerder teruggegeven worden aan verdachte, dan nadat er een onherroepelijke uitspraak ligt.
9 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 57, 242 en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.
10 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het onder 3 tenlastegelegde feit;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: Verkrachting;
feit 2: Diefstal;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering;
* dat verdachte zich binnen drie dagen nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden en verdachte in vrijheid is gesteld, zal melden bij deze reclasseringsinstelling;
* dat verdachte zich ambulant zal laten behandelen bij een forensisch-psychiatrische instelling;
* verdachte wordt verboden gedurende de gehele proeftijd contact te (laten) leggen met aangeefster [slachtoffer];
- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 527158, 527160, 527163, 527224, 527225, 527226, 527228, 527229, 527230, 527232, 527239 en 529017;
- gelast de teruggave aan rechthebbende, aangeefster [slachtoffer], van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 528969, 528975 en 528987;
- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd 527148, 527149 en 527162;
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 2.912,96, waarvan € 12,96 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente berekend vanaf 9 december 2011 en € 2.900,- ter zake van immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 16 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel wordt afgewezen;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil; (BP.06)
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer], € 2.912, 96 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 39 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd; (BP.04)
Dit vonnis is gewezen door mr. Tempelaar, voorzitter, mr. Van Gessel en mr. Ebben, rechters, in tegenwoordigheid van Van Beijsterveldt, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 31 januari 2012.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 16 mei 2011 te Breda door geweld of (een) andere
feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere
feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van
(een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel
binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],
hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of
gehouden en/of de vagina van die [slachtoffer] gelikt
en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die
bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte
- die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of op de grond heeft geduwd en/of
- (vervolgens) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "Ik ga je keihard in
je kont neuken" en/of "Stil zijn, anders vermoord ik je", althans woorden van
gelijke (dreigende) aard en strekking en/of
- (vervolgens) die [slachtoffer] op bed heeft gegooid/geduwd en/of
- (vervolgens) de onderbroek van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken en/of
- (vervolgens) naakt op die [slachtoffer] is gaan liggen
en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
art 242 Wetboek Pro van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 16 mei 2011 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke
toeëigening heeft weggenomen een tas (met inhoud), in elk geval enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander
of anderen dan aan verdachte;
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht
3.
hij op of omstreeks 11 mei 2011 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke
toeëigening heeft weggenomen een tas (met daarin onder meer geld, een
tegoedbon en sleutels), in elk geval enig goed, geheel of ten dele
toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan
aan verdachte;
art 310 Wetboek Pro van Strafrecht