3.1. Op grond van de niet of onvoldoende weersproken stellingen en de overgelegde producties, wordt uitgegaan van de volgende feiten.
- Partijen hebben op 2 oktober 2010 een koopovereenkomst gesloten betreffende een voertuig, type GMC Savana, met kenteken [kenteken] (hierna te noemen: het voertuig). De overeengekomen koopsom voor dit voertuig bedroeg € 13.500,-. [Eiser] heeft ter voldoening van deze koopsom een personenauto van het merk Hyundai H200 met kenteken [kenteken] ingeruild en daarnaast een bedrag van € 9.000,- aan [Gedaagde] voldaan.
- Op 2 oktober 2010 heeft [Eiser] het voertuig bij [Gedaagde] opgehaald.
- Op 4 oktober 2010 heeft [Eiser] in een telefonisch contact met [Gedaagde] aan laatstgenoemde te kennen gegeven dat het voertuig gebreken vertoonde.
- [Eiser] heeft het voertuig op 5 oktober 2010 naar garagebedrijf [Y] gebracht ten einde de staat van het voertuig te laten controleren, waarna dit garagebedrijf [Eiser] uit veiligheidsoverwegingen heeft afgeraden om met het voertuig te rijden.
- In de brief van 8 oktober 2010 van [Eiser] aan [Gedaagde] heeft [Eiser] diverse gebreken aan het voertuig opgesomd en geschreven dat hij erop vertrouwt dat [Gedaagde] deze gebreken, conform diens telefonische toezegging, binnen een redelijke termijn zal verhelpen.
- Op 10 oktober 2010 heeft [Gedaagde] het voertuig bij [Eiser] opgehaald, ten einde reparaties aan het voertuig te verrichten.
- Bij brief van 24 november 2010 heeft [Eiser] aan [Gedaagde] geschreven - samengevat en voor zover thans van belang - dat het voertuig inmiddels reeds 6 weken bij [Gedaagde] ter reparatie staat, dat dit geen redelijke termijn meer behelst en dat de gebreken nog immer niet zijn verholpen. [Eiser] heeft voorts in deze brief geschreven dat hij wenst over te gaan tot buitengerechtelijke ontbinding van de koopovereenkomst en dat [Gedaagde] binnen vijf werkdagen de koopsom aan hem dient te retourneren, bij gebreke waarvan [Eiser] via een gerechtelijke procedure de koopovereenkomst zal trachten te ontbinden en - naast terugvordering van de koopsom - schadevergoeding zal vorderen.
- Uit het rapport van [Z] volgt dat [Gedaagde] het voertuig in de avond van 25 november 2010 aan [Z] heeft aangeboden ter reparatie en dat hij in een handgeschreven briefje onder meer te kennen heeft gegeven dat het voertuig afslaat op het moment dat hij op gas overgaat. Voorts volgt uit dit rapport dat [Z] diverse reparaties aan het voertuig heeft verricht en er nog gebreken aan het voertuig verholpen dienden te worden.
- Bij brief van 30 november 2010 heeft [Gedaagde] aan [Eiser] geschreven dat het voertuig klaar is.
- Bij brief van 6 december 2010 heeft de gemachtigde van [Eiser] [Gedaagde] nogmaals gesommeerd om diens medewerking aan de buitengerechtelijke ontbinding en terugbetaling van de koopsom te verlenen. [Gedaagde] heeft ook aan deze sommatie geen gehoor gegeven.
- Op 14 maart 2011 heeft [Eiser] aan [Q] (hierna te noemen: [Q]) opdracht verleend om het onderhavige voertuig te keuren, waarna dit voertuig op 15 maart 2011 door [Q] is gekeurd. In het expertiserapport van [Q] van deze keuring staan diverse gebreken aan het voertuig opgesomd met betrekking tot de verlichting, de stuurinrichting, de wielen/banden, het remsysteem, de motor, de airconditioning, schade verleden/pas en het niet voldoen aan de eisen voor een camperkenteken. Onder het kopje “conclusie” van dit rapport staat vermeld:
“Het boven omschreven voertuig verkeert in een matige staat en vertoont diverse gebreken. Ook voldoet het voertuig in deze staat niet aan de eisen voor een camperkenteken. De bovengenoemde mankementen van het bovengenoemde voertuig dienen zo spoedig mogelijk gerepareerd te worden. Op dit moment voldoet het voertuig niet aan de minimale APK eisen.”