ECLI:NL:RBBRE:2012:BV8822
Rechtbank Breda
- Herziening
- Kramer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tussentijdse beëindiging wettelijke schuldsaneringsregeling
De Stichting Bernardus Wonen verzocht de rechtbank om de schuldsaneringsregeling van de schuldenaar tussentijds te beëindigen. Zij stelde dat de schuldenaar te kwader trouw was door het ontstaan van een huurachterstand en vernielingen aan een woning, en dat er sprake was van onbetaalde schulden voortvloeiend uit onherroepelijke strafrechtelijke veroordelingen binnen vijf jaar voor het verzoek. De Stichting betoogde dat deze feiten reeds bestonden bij toelating tot de regeling en dat de schuldenaar zijn schuldeisers, met name de Stichting, bewust had benadeeld.
De schuldenaar verklaarde dat hij ten tijde van het ontstaan van de schuld verslaafd was en dat de schade aan de woning niet bewust was veroorzaakt. Hij gaf aan dat hij al anderhalf jaar clean was en in vast dienstverband werkte. De bewindvoerder bevestigde dat de schuldsaneringsregeling goed verliep en dat de schuldenaar aan zijn verplichtingen voldeed.
De rechtbank stelde vast dat de vernielingen, de schuld aan de Stichting en de strafrechtelijke veroordelingen reeds bij de toelatingszitting waren besproken en dat de schuldenaar op grond van artikel 288 lid 3 Fw Pro was toegelaten. De rechtbank oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het verzoek tot tussentijdse beëindiging konden rechtvaardigen.
Verder werd geoordeeld dat de wet niet voorziet in het horen van belanghebbenden bij toelating tot de schuldsaneringsregeling en dat belanghebbenden geen formeel recht hebben op het proces-verbaal van de toelatingszitting, maar de rechtbank besloot in dit geval het proces-verbaal aan de Stichting te verstrekken.
De rechtbank wees het verzoek van de Stichting af en handhaafde de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: Het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen.