ECLI:NL:RBBRE:2012:BV9967
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag overdrachtsbelasting bij inbreng onderneming in BV
Belanghebbende heeft een onderneming ingebracht in een besloten vennootschap waarbij een beroep werd gedaan op de vrijstelling van overdrachtsbelasting volgens artikel 15, eerste lid, onderdeel e van de WBR. De inspecteur stelde echter vast dat niet voldaan was aan het crediteringsmaximum van 10% zoals bepaald in artikel 5 van Pro het UBRV en legde een naheffingsaanslag op.
Belanghebbende voerde aan dat de te hoge creditering achteraf omgezet zou worden in agio en dat de schuld feitelijk als informeel kapitaal fungeerde. De rechtbank oordeelde dat de overdrachtsbelasting een tijdstipbelasting is en dat alleen de feiten en omstandigheden op het moment van inbreng bepalend zijn. Eventuele latere wijzigingen of intenties van belanghebbende kunnen de heffing niet beïnvloeden.
De rechtbank concludeerde dat de vrijstelling terecht is geweigerd omdat niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting is ongegrond verklaard.