ECLI:NL:RBBRE:2012:BW0401

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
13 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/6634
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2011Art. 225 GemeentewetArt. 226 GemeentewetAfdeling 8.2.6 Algemene wet bestuursrechtArt. 27d Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens niet onmiddellijk laden en lossen

Belanghebbende kreeg op 17 november 2011 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting voor het parkeren van zijn auto aan een parkeerplaats in Tilburg. De heffingsambtenaar stelde dat de auto zeker vijf minuten in het parkeervak stond, terwijl belanghebbende stelde dat hij slechts twee minuten bezig was met het afgeven van een SD-geheugenkaart bij een fotozaak schuin tegenover het parkeervak.

De kern van het geschil was of sprake was van parkeren of van onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in de Gemeentewet en de Verordening op de heffing en invordering van parkeerbelastingen. De rechtbank stelde vast dat het pakketje van zeer geringe omvang en gewicht was en dat het afgeven daarvan niet viel onder het begrip onmiddellijk laden en lossen.

Daarmee was het feitelijk parkeren en het niet betalen van de parkeerbelasting terecht vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 13 maart 2012 in het openbaar gedaan door rechter Beukers-van Dooren.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 11/6634
Uitspraakdatum: 13 maart 2012
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg,
de heffingsambtenaar.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de inspecteur van 29 december 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer: [nummer]).
Zitting
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.
1.Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2.Gronden
2.1.Aan belanghebbende is op 17 november 2011 om 14.53 uur een naheffingsaanslag
parkeerbelasting opgelegd wegens het niet betalen van parkeerbelasting voor het doen of laten staan van zijn auto, [de auto] (hierna: de auto) op een parkeerplaats aan [straat A] te Tilburg. Deze locatie is door het college van burgemeester en wethouders van Tilburg op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2011 (hierna: de Verordening) aangewezen als plaats waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. De nageheven belasting bedraagt € 0,90 verhoogd met € 52 wegens kosten van de naheffingsaanslag.
2.2.Tussen partijen is in geschil of belanghebbende de auto heeft geparkeerd danwel hij de auto slechts heeft doen staan om goederen te lossen.
2.3.De rechtbank stelt aan de hand van de stukken van het geding vast dat het volgende zich heeft afgespeeld omstreeks 14.53 uur: Belanghebbende heeft zijn auto neergezet in een parkeervak aan [straat A]. Vervolgens is belanghebbende uit zijn auto gestapt om een zogenoemde SD geheugenkaart af te geven bij [fotozaak]. Deze fotozaak is gelegen schuin tegenover het parkeervak aan [straat B]. Belanghebbende is na het afgeven van de geheugenkaart teruggelopen naar zijn auto. Op dat moment trof hij de parkeercontroleurs aan bij zijn auto.
2.4.Belanghebbende stelt dat met het afgeven van de geheugenkaart en het teruglopen naar zijn auto hoogstens twee minuten waren gemoeid. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de auto zeker vijf minuten in het parkeervak heeft gestaan.
2.5.Op grond van de artikel 1 van Pro de Verordening wordt onder parkeren verstaan: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden.
2.6. Onder het onmiddellijk laden en lossen zoals bedoeld in art. 226 van Pro de Gemeentewet (tekst 1994, thans artikel 225 Gemeentewet Pro) dient te worden verstaan het onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is (Hoge Raad 12 mei 1999, nr. 33286, BB 99/566).
2.7.Naar de rechtbank begrijpt heeft belanghebbende een pakketje van zeer geringe omvang en gewicht afgegeven. Gezien de onder 2.6. vermelde definitie was dan geen sprake van het onmiddellijk laden en lossen als bedoeld in de Gemeentewet en de Verordening. Hoe lang het voertuig in het parkeervak heeft gestaan is dan niet meer van belang. De naheffingsaanslag is naar het oordeel van de rechtbank terecht opgelegd.
2.8.Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond verklaard.
2.9.De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is gedaan op 13 maart 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Jansen, griffier.
De griffier, De rechter,
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 21 maart 2012.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.