ECLI:NL:RBBRE:2012:BW0471
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing en berekening van de verschuldigde belasting op basis van artikel 3 Goedkeuringswet bij het belastingverdrag met België
De zaak betreft een geschil over de toepassing en wijze van berekenen van de verschuldigde inkomstenbelasting over lijfrente-uitkeringen van een in België wonende erflater over het jaar 2005, in het kader van het belastingverdrag tussen Nederland en België en artikel 3 van Pro de Goedkeuringswet.
Belanghebbenden hadden bezwaar gemaakt tegen de beschikking van de inspecteur waarin geen aanslag inkomstenbelasting werd vastgesteld. De rechtbank oordeelt dat het belastbare inkomen €42.849 bedraagt, bestaande uit een deel van de uitkering van Nationale Nederlanden en een verzekeringsuitkering, waarbij een deel van de uitkering niet in Nederland belastbaar is.
De inspecteur had de belasting berekend met een tarief dat resulteerde in een belasting van €6.709, wat lager is dan het maximum van 25% dat artikel 3 van Pro de Goedkeuringswet toestaat. Belanghebbenden stelden dat het marginale tarief in de derde schijf maximaal 25% mag zijn, wat een lagere aanslag zou betekenen.
De rechtbank oordeelt dat de stelling van belanghebbenden berust op een onjuiste lezing van artikel 3, lid 3, van de Goedkeuringswet en bevestigt dat het totale te betalen belasting over de betreffende inkomsten ten hoogste 25% mag bedragen. Omdat de werkelijk verschuldigde belasting lager is dan dit maximum, is de aanslag juist. De beschikking wordt vernietigd en de inspecteur wordt gelast een aanslag vast te stellen. Tevens worden proceskosten aan belanghebbenden toegekend.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de beschikking en gelast de inspecteur een aanslag inkomstenbelasting vast te stellen op een belastbaar inkomen van €42.849 met toepassing van het maximale tarief van 25%.