ECLI:NL:RBBRE:2012:BW3230
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Brouwer
- A.F.M.Q. Beukers-van Dooren
- A.W. Schep
- Rechtspraak.nl
Vervangingsreserve en bijzondere omstandigheden bij vertraagde levering vervangend perceel
Belanghebbende verkocht in 1999 haar enige activum, een stuk grond met pand, aan de gemeente om onteigening te voorkomen. In ruil kocht zij een vervangend perceel van de gemeente, maar de levering daarvan werd door geschillen over de bestemmingsplanwijziging langdurig uitgesteld. Belanghebbende vormde een herinvesteringsreserve (HIR) voor de boekwinst uit de verkoop. De inspecteur verlengde de termijn voor de HIR tot 2005.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende door het sluiten van de koopovereenkomst in 1999 een begin van uitvoering had gegeven aan de herinvestering. Ondanks de vertraging en onwil van de gemeente bleef het vervangingsvoornemen bestaan, en was er geen reden om de HIR in 2005 te laten vrijvallen. De aankoop van een ander perceel in 2005 werd niet als vervangende investering erkend omdat dit perceel niet de functie van bedrijfsmiddel had.
De rechtbank oordeelde dat de vertraging door de gemeente bijzondere omstandigheden vormde die rechtvaardigen dat belanghebbende niet aan de wettelijke termijn kon worden gehouden. De aanslag vennootschapsbelasting over 2005 werd verminderd en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de herinvesteringsreserve niet in 2005 in de winst hoeft te worden opgenomen vanwege bijzondere omstandigheden door gemeentelijke vertraging.