ECLI:NL:RBBRE:2012:BW9364
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank Breda oordeelt over aftrek pensioenovernamevergoeding en rekenrente
Belanghebbende heeft haar pensioenverplichting overgedragen aan een stichting en het verschil tussen de overnamevergoeding en de boekwaarde van deze verplichting in aftrek gebracht. De rechtbank moest beoordelen of de stichting als een lichaam in de zin van artikel 3.27 Wet IB 2001 kan worden aangemerkt en of de aftrekbeperking van artikel 3.26 Wet IB 2001 van toepassing is op de na-indexatie en het verschil in rekenrente.
De rechtbank oordeelde dat de stichting niet kwalificeert als een lichaam bedoeld in artikel 3.27 Wet IB 2001, mede vanwege het afsluiten van een contraverzekering met de dochters van de pensioengerechtigde, wat niet past binnen de activiteiten van een pensioenfonds. Hierdoor is de aftrekbeperking van artikel 3.26 Wet IB 2001 van toepassing op het na-indexatiebestanddeel.
Ten aanzien van de gehanteerde rekenrente van 3,74% stelde de rechtbank vast dat deze rente zakelijk is en in lijn met de marktrente van dat jaar, en dat het verschil met de wettelijke 4% niet onder de aftrekbeperking valt. De inspecteur had de aftrek ten onrechte gecorrigeerd met het bedrag gerelateerd aan dit renteverschil. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraken op bezwaar, en stelde het belastbare bedrag vast op € 1.650.593.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de inspecteur tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door mr.dr. A.H.H. Bollen-Vandenboorn, voorzitter, en mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en mr. W.A.P. van Roij, rechters.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert het belastbare bedrag naar € 1.650.593.