ECLI:NL:RBBRE:2012:BX7726
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot instellen cliëntenraden na bindend oordeel LCvV
De cliënten van GGz Breburg verzochten de rechtbank om de zorginstelling te bevelen cliëntenraden in te stellen voor twaalf locaties, conform artikel 2 lid 1 van Pro de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen (WMCZ). De zorginstelling verweerde zich met het standpunt dat de cliëntenraden en individuele cliënten gebonden zijn aan het bindend oordeel van de LCvV, die eerder een uitspraak deed over de medezeggenschapsstructuur.
De rechtbank oordeelde dat de cliëntenraden na de fusie van GGz Breda en GGz Midden-Brabant actief zijn gebleven en advies hebben uitgebracht over de medezeggenschapsstructuur. De LCvV heeft op grond van artikel 10 lid 1 sub b WMCZ Pro een bindend oordeel gegeven over de redelijkheid van het besluit van de zorgaanbieder. Verzoekers zijn daarom gebonden aan dit oordeel en niet ontvankelijk in hun verzoek.
Daarnaast wees de rechtbank het verzoek tot vergoeding van proceskosten af, omdat individuele cliënten geen aanspraak kunnen maken op vergoeding van kosten van juridische bijstand in procedures als bedoeld in artikel 10 lid 2 WMCZ Pro, zeker niet wanneer cliëntenraden actief zijn. De rechtbank bepaalde dat partijen ieder hun eigen kosten dragen om de vertrouwensrelatie niet te belasten.
De beschikking werd gegeven door kantonrechter Spreuwenberg op 8 augustus 2012 en is niet ontvankelijk verklaard. Beroep is mogelijk bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Verzoekers worden niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek tot het instellen van cliëntenraden en proceskostenveroordeling wordt afgewezen.