ECLI:NL:RBBRE:2012:BX8203
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Naheffingsaanslag omzetbelasting houdstermaatschappij terecht opgelegd, immateriële schadevergoeding toegekend wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende, een houdstermaatschappij binnen een grotere vennootschapsgroep, voerde bezwaar aan tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de jaren 1999 en 2000. De inspecteur had de aanslag opgelegd omdat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat zij als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 kon worden aangemerkt. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende slechts eenmalig een omzet van €25.000 had gefactureerd aan een dochtermaatschappij en geen duurzame economische activiteiten had verricht.
De rechtbank verwierp het beroep van belanghebbende en bevestigde de naheffingsaanslag en de heffingsrente, omdat geen sprake was van onrechtmatige vertraging door de inspecteur. Wel oordeelde de rechtbank dat de inspecteur de redelijke termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar had overschreden met bijna vijf en een half jaar, wat recht gaf op een immateriële schadevergoeding.
De rechtbank wees het verzoek om vergoeding van materiële schade af wegens onvoldoende bewijs. De immateriële schadevergoeding werd vastgesteld op €5.500, gebaseerd op €500 per half jaar overschrijding. De uitspraak werd gedaan op 16 juli 2012 en is openbaar.
Uitkomst: De naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht opgelegd en de inspecteur moet €5.500 immateriële schadevergoeding betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn.