ECLI:NL:RBBRE:2012:BX9156
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag loonheffingen wegens onvoldoende bewijs latere betaling
Tijdens een boekenonderzoek in 2010 is vastgesteld dat een B.V. in de jaren 2005 tot en met 2007 te weinig loonheffingen heeft ingehouden en afgedragen, met name voor twee directeur-grootaandeelhouders waarbij geen bijtelling privégebruik auto en geen gebruikelijk loon is meegenomen.
De inspecteur legde een naheffingsaanslag op over het jaar 2010 op basis van artikel 31, derde lid, tweede volzin van de Wet LB, waarbij loonheffingen uit 2006 en 2007 werden nageheven. De inspecteur ging ervan uit dat het loon als eindheffingsbestanddeel moest worden aangemerkt en dat de B.V. de loonheffingen niet aanstonds maar later voor haar rekening had genomen.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur niet heeft bewezen dat de B.V. de loonheffingen pas in 2010 voor haar rekening heeft genomen, terwijl volgens de hoofdregel in artikel 31, derde lid Wet LB de belasting aanstonds wordt genomen. Het verzoek van belanghebbende om eindheffing achterwege te laten wordt afgewezen omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de belasting juridisch en feitelijk kon verhalen op de directeur-grootaandeelhouders.
Daarom vernietigt de rechtbank de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar, en gelast de vergoeding van het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter W.A.P. van Roij en griffier I. van Wijk op 3 augustus 2012.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonheffingen over 2010 wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van latere betaling door de inspecteur.