ECLI:NL:RBBRE:2012:BY0038

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
23 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/1981
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:11 AwbArt. 22j AWRArt. 27d AwbArt. 65 AWR
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar overdrachtsbelasting monumentenpand

Belanghebbende had overdrachtsbelasting betaald over de aankoop van een monumentenpand, terwijl later bleek dat deze belasting onrechtmatig was geheven vanwege de vrijstelling voor monumenten. Belanghebbende verzocht om teruggaaf van de belasting, maar de inspecteur kwalificeerde dit verzoek als een bezwaarschrift en verklaarde het niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de wettelijke termijn.

De rechtbank oordeelde dat de inspecteur terecht het verzoek als bezwaarschrift heeft aangemerkt, omdat de inhoud duidelijk de rechtmatigheid van de belasting betwistte. Tevens was het bezwaar te laat ingediend en kon niet worden aangenomen dat belanghebbende niet in verzuim was. De rechtbank verwierp de stelling dat de uitspraak onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd was.

De rechtbank wees het beroep af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaarschrift is niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de termijn.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 10/1981
Uitspraakdatum: 23 maart 2011
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats],
eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch,
verweerder.
Eiser wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.
Betreft
De uitspraak van de inspecteur met dagtekening 16 april 2010 (beschikkingsnummer [nummer]).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011 te Breda. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, [gemachtigde], advocaat, alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].
1. Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
2. Gronden
2.1. Bij notariële akte van [datum] zijn aan belanghebbende en zijn echtgenote onroerende zaken geleverd. De koopprijs van deze onroerende zaken, tevens de heffings-grondslag voor de overdrachtsbelasting, was f 1.100.000. In voormelde akte is geen beroep op een vrijstelling voor de overdrachtsbelasting gedaan. De overdrachtsbelasting ad
f 66.000 is op 4 augustus 1997 voldaan.
2.2. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 1 mei 2009 een uitspraak gedaan over de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij verkrijging van monumenten door monumenten-rechtspersonen (artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer). Het besliste geval betrof de verkrijging van een monument door een natuurlijk persoon. Het hof heeft beslist dat verkrijgingen door natuurlijke personen en rechtspersonen gelet op de ratio van de vrijstelling, aangemerkt kunnen worden als gelijke gevallen. Voor het in de wet gemaakte onderscheid bestaat volgens het hof onvoldoende rechtvaardiging. Vervolgens heeft het hof in het geconstateerde rechtstekort voorzien door de vrijstelling toe te kennen aan de natuurlijke persoon.
2.3. Bij besluit van 10 juni 2009, nr. CPP2009/1076M, Stcrt. 2009, 106 heeft de Staatssecretaris van Financiën goedgekeurd dat met ingang van 1 mei 2009 de verkrijging van monumenten is vrijgesteld van overdrachtsbelasting, ongeacht of een monument wordt verkregen door een natuurlijk of een rechtspersoon én dat indien op of na 1 mei 2009 voldoening op aangifte heeft plaatsgevonden dan wel een naheffingsaanslag onherroepelijk is komen vast te staan, de inspecteur op verzoek teruggaaf of vermindering van overdrachtsbelasting zal verlenen. In het besluit is vermeld dat niet wordt teruggekomen op voldoeningen op aangifte dan wel naheffingsaanslagen die vóór 1 mei 2009 onherroepelijk zijn komen vast te staan.
2.4. Bij brief met dagtekening 15 maart 2010, ingekomen bij de inspecteur op 19 maart 2010, verzoekt belanghebbende de door hem voldane overdrachtsbelasting te restitueren. In deze brief staat, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak van het hof, vermeld:
“Dezerzijds was men niet bekend met de vrijstelling ex artikel 15, eerste lid, aanhef en onder p van de Wet op de Belasting van Rechtsverkeer. Ook heeft u destijds geen vrijstelling verleend.
Inmiddels is gebleken, (…) dat de facto geen overdrachtsbelasting verschuldigd was omdat het verkregen pand rijksmonument is.
(…)
Het destijds heffen van deze belasting acht ik derhalve onrechtmatig.”
2.5. Bij brief van 6 april 2010 reageert de inspecteur op de onder 2.4 genoemde brief.
In zijn brief vermeldt de inspecteur:
“Op 15 maart 2010 heb ik uw bezwaarschrift inzake de aankoop van een monumentenpand ontvangen.”
Onder verwijzing naar de uitspraak van het hof en het goedkeurende besluit van de staatssecretaris, wordt het bezwaarschrift afgewezen. Tevens is vermeld dat belanghebbende binnenkort de beschikking ontvangt. Deze beschikking volgt met dagtekening 16 april 2010. Op de beschikking is vermeld: “Uitspraak op bezwaarschrift Overdrachtsbelasting Geen teruggaaf”. Het bezwaar is in deze beschikking niet-ontvankelijk verklaard. In de beschikking is tevens opgenomen dat er geen reden is om de belasting ambtshalve te verminderen.
2.6. Het onderhavige beroep richt zich tegen deze uitspraak. Belanghebbende stelt dat de
inspecteur zijn brief ten onrechte als bezwaar heeft aangemerkt en dat hij dit als een verzoek om teruggaaf of herziening van de voldane overdrachtsbelasting had moeten aanmerken.
2.7. Uit oogpunt van rechtsbescherming en gelet op de feiten vermeld onder 2.1 tot en met 2.4, in het bijzonder de inhoud van de brief van belanghebbende van 15 maart 2010, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank de betreffende brief terecht aangemerkt als bezwaarschrift tegen de door belanghebbende op aangifte voldane overdrachtsbelasting. De inhoud van de brief laat geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende de rechtmatigheid van de op aangifte voldane overdrachtsbelasting betwist.
2.8. Tussen partijen is niet in geschil dat het bezwaar ruimschoots buiten de termijn van artikel 6:7 van Pro de Awb juncto artikel 22j van de AWR is ingediend. Op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb kan niet-ontvankelijkverklaring van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift achterwege blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd leidt echter niet tot een dergelijke conclusie. De door belanghebbende genoemde omstandigheden hebben er immers niet toe geleid dat hij destijds is belemmerd om tijdig een - desnoods op voorhand ongemotiveerd- bezwaarschrift in te dienen (vergelijk Hoge Raad 18 februari 2005, nr. 37 690, LJN AM3206, onder meer gepubliceerd in BNB 2005/283). De inspecteur heeft het bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.9. Een beslissing van de inspecteur waarbij hij toepassing geeft aan artikel 65 van Pro de AWR is door de wetgever niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking (vergelijk Hoge Raad 5 oktober 2007, nr. 43268, LJN AZ9098, onder meer gepubliceerd in BNB 2008/40). Voor zover het beroep tegen deze beslissing van de inspecteur is gericht, gaat de rechtbank daaraan voorbij.
2.10. De rechtbank wijst de stelling van belanghebbende dat de uitspraak onzorgvuldig is voorbereid en/of onvoldoende is gemotiveerd af. In de bestreden uitspraak van 16 april 2010 is duidelijk verwoord dat en waarom het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan hem niet baten.
2.11. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Aldus gedaan door mr. M.L. Weerkamp, voorzitter, mr. W.A.P. van Roij en mr.dr. M.J.G.A.M. Weerepas, rechters, en door de voorzitter en drs. J.M.C. Hendriks, griffier, ondertekend.
De griffier, De voorzitter,
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2011.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 4 april 2011
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ’s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.